Onbreekbare zingende bakstenen

In de rubriek Vergeten bespreekt Rob Biersma (bijna) verdwenen voorwerpen. Vandaag Klinkerwegen. „Tink tink, tink tink afgewisseld door dof gerommel; weer een kar die een lading klinkers neerstortte.”

Een enkele keer, bij het verlaten van een dorp, zie je nog wel eens het begin ervan: een klinkerweg, een weg bestraat met klinkers, blauwig rode stenen, soms roodbruin of geel, met in de voegen de lichtgroene zweem van taaie tredplantjes of mos.

Rond 1900 waren de meeste wegen bestraat. In de nadagen van Napoleon was begonnen de grote steden met elkaar te verbinden. De rijksstraatwegen waren recht, als langs een liniaal getrokken, en 4,5 meter breed. Daarna kwamen de kleinere steden aan de beurt en ten slotte de dorpen. Van die oorspronkelijke wegen, bijna zonder uitzondering met klinkers bestraat, is weinig meer over. De straatwegen zijn rond de Tweede Wereldoorlog vervangen door macadamwegen (ingewalst puin met een toplaag van teer), wegen van betonplaten en later door asfalt. Soms werd het asfalt bruutweg over de klinkers gelegd.

Klinkers zijn bakstenen, maar harder dan bakstenen voor huizenbouw. Als je met een hamertje tegen een klinker slaat, hoor je hem zingen, vandaar: klinker. Een huisbaksteen klinkt doffer. Dit komt door de hardheid: klinkers worden op hogere temperatuur gebakken, waardoor ze gedeeltelijk zijn verglaasd.

Het was altijd een pittig geluid als stratenmakers een weg of straat opnieuw bestraatten. Tink tink, tink tink, af en toe afgewisseld door een dof gerommel als een kar een nieuwe lading klinkers neerstortte. Want klinkers kunnen veel hebben, in tegenstelling tot huisbakstenen die gemakkelijk breken.

Een enkele keer werden klinkers wel gebruikt in de huizenbouw, voor het trasraam, een laag gemetselde stenen bij het maaiveld om optrekkend grondwater te weren. Een gewone baksteen is poreus en laat water door. Tegenwoordig vindt men waterkerende specie wel voldoende, al hebben veel huizen nog als herinnering een speciale bandering op straatniveau met afwijkende stenen.

Maar terug naar de wegen. Een klinkerweg, gelegd in een zandbed, heeft het voordeel dat regenwater makkelijk door de voegen wegzijgt. Op een hol gereden asfaltweg blijven grote plassen achter. Daar hamerde de baksteenindustrie dan ook op, toen de klinkerweg dreigde te verdwijnen, met de slogan: ‘Klinkerwegen, veilige wegen’.

Tegenwoordig worden er nauwelijks klinkers meer gebakken. De oude klinkers worden hergebruikt in steden en dorpen met een historische waarde. En in nieuwbouwwijken worden betonklinkers gelegd, zware kolossen van beton die met verf op kleur gebracht zijn, meestal lichtpaars. Omdat de kleurstof geleidelijk verdwijnt, worden zulke straten steeds grijzer.

Echte klinkers blijven altijd op kleur. En hoe ouder ze zijn, hoe doorleefder, hoe mooier ze worden.

Klinkerwegen hebben wel een nadeel. Door het wegzijgend water ontstaan geleidelijk kuilen. En in kuilen komen plassen waardoor op die plaatsen nog meer water wegzijgt, waardoor de kuilen weer dieper worden. Het mag een wonder heten dat door dit verschijnsel nooit een spreekwoord is ontstaan.