Marlene Dumas:

The Neighbour (2005, Stedelijk Museum, Amsterdam)

In de ochtend van 2 november 2004 fietst Theo van Gogh over de Linnaeusstraat in Amsterdam. Bij het stadsdeelkantoor Oost/Watergraafsmeer wordt hij ingehaald door een andere fietser. Die begint te schieten. Van Gogh valt op de grond – hij wordt getroffen door acht kogels. Zijn moordenaar, Mohammed Bouyeri, stapt af en snijdt Van Gogh de keel door. Vervolgens priemt hij met een tweede mes een brief in diens buik.

De schok in Nederland is enorm. Allereerst omdat Van Gogh een bekende, zowel geliefde als controversiële figuur was die met zijn werk voortdurend debatten op scherp zette. Maar ook door de gruwelijke wijze waarop Bouyeri zijn daad heeft verricht. Dit bevestigt voor veel mensen het idee dat er iets in de Nederlandse cultuur is geslopen wat onbeheersbaar is. Onzichtbaar en ongrijpbaar.

Om die reden is The Neighbour nog steeds confronterend. Dumas lijkt het kwaad een gezicht te geven – maar is dat wel zo? Zelf merkte ze op: ‘Ik dacht telkens: ben ik de enige die dat weke, dat vlezige in zijn gezicht ziet? [...] Aan Mohammed B. kun je zien dat iemand die iets monsterachtigs heeft gedaan, er niet per definitie monsterachtig hoeft uit te zien.’ Dumas benadrukte die verraderlijkheid door The Neighbour te exposeren in een serie van mannen met een ‘islamitisch’ uiterlijk die je niet meteen herkende – Bouyeri hing er tussen Osama bin Laden en een acteur uit Shouf Shouf Habibi! Maar wie was wie? Hoe zichtbaar is het kwaad?