'Het leven is een vreemd genoegen'

De Vlaamse zanger Raymond van het Groenewoud omarmt de eindigheid. Op zijn nieuwe cd begroet hij zijn rotkop. „Je bent vrij als je je niet meer aantrekt wat anderen zullen denken.”

Op een ochtend keek zanger Raymond van het Groenewoud in de badkamerspiegel. Bepaald niet het gezicht dat hij had willen zien, stelde hij misnoegd vast. „Goedemorgen, ouwe rotkop”, hoorde hij zichzelf zeggen. En schoot in de lach.

Van het Groenewoud rekent af met ijdelheid en omarmt de eindigheid. In zijn single Goedemorgen Ouwe Rotkop schuift hij vol overgave ‘de spiegel maar opzij’, geeft hij ‘het heden een rotschop’ en sluit hij ‘het boek van ijdelheid’. Een gelaten begin, maar het liedje krijgt een optimistisch vervolg als hij tegen zijn spiegelbeeld zingt: „Hoor de vogeltjes toch fluiten. Ze fluiten voor ons allebei. Kun je horen wat ze zingen? Je bent vrij.”

Het is de eerste keer dat hij het woord ‘vrij’ durft te gebruiken, zegt Raymond van het Groenewoud. In de eetkamer van een klein Antwerps hotel, vlakbij het huis van zijn vrouw, journaliste Sigrid Spruyt, zit hij aan een lange tafel. „Ik vond de Engelsen er met hun free en freedom altijd zo mee koketteren”, zegt hij, bij een glas water („geweldig echte dorst”) en koffie. „Want vrijheid, wat is dat nou? Nu weet ik: je bent vrij in je doen en laten als je je op bepaalde leeftijd echt niet meer aantrekt wat anderen zullen denken. Je loopt immers naar je graf. En dat idee voelt heel bevrijdend. Doorbreek je zomaar een taboe zonder dat je het van plan was.”

Het uitkomen van zijn nieuwe cd De Laatste Rit heeft Raymond van het Groenewoud – rocktroubadour uit Vlaanderen – ervaren als een aangename prikkeling. Vooral, zegt hij met enthousiasme in zijn stem, omdat de platenmaatschappij „het nu zo gezellig houdt”. „Men is opgewonden over deze cd. Je voelt de integriteit, dan kan het ook iets worden met de cd.” Het is wel eens zakelijker geweest, wil hij maar zeggen.

Op De Laatste Rit geeft Van het Groenewoud zich bloot. In persoonlijke liedjes, gesteund door producer Tom Van Laere, in Vlaanderen beter bekend als muzikant Admiral Freebee, laat hij meer weemoed en kwetsbaarheid toe in zijn muziek. Manisch-depressieve muziek, grapt hij. De nadruk ligt meer dan ooit op zijn rasperige, verhalende stem. Van het Groenewoud wandelt op dit album zowel in de schaduw als in het licht; van het naderende einde (Aan de meet), vaderschap in deeltijd (Kind van het weekend) en natuurlijk de alles overheersende liefde (Maanlicht, Het Meisje van je Droom, Jouw liefde I en II). Hij laat de luisteraar in verdriet delen, maar vraagt ook om enig relativeringsvermogen. „Of de zelfspot wordt begrepen is de vraag.”

Een eerlijke ode is Moedertaal. Ooit zou hij Engels hebben willen zingen. De Vlaamse zanger Johan Verminnen liet hem verstaan dat hij dan koos voor de tweede rang. „Je verhindert jezelf zo een eigen stem te hebben.” Dus hij koos Vlaams-Nederlands. „Ik voel er meer waarachtigheid bij.” Maar de taal laat zich verre van makkelijk plooien in de teksten. „Een zelfkwelling van jewelste. Je kunt je niet verstoppen. Angstzweet. Toen ik daar doorheen was waren er twee keuzes: ik krijg het goed gezegd, of niet.”

De suggestie moet volstaan. Of bijna het tegengestelde zeggen van wat je bedoelt. In mijn hoofd is het liedje bekend, maar nog niet alle woorden. Die vierde regel die nog leegstaat kan gevuld worden met iets wat ineens tot je komt. Nee. Ik ga er niet meer krampachtig voor aan het bureau zitten. Dan kun je beter, ehm..., leven.”

Weemoedig en moegeleefd

Op zijn 61ste aanschouwt Van het Groenewoud, zoon van Amsterdamse ouders, het leven met een vreemd soort genoegen. Zelfreflectie is hem nooit vreemd geweest, maar misschien nooit zo expliciet. Soms, zegt een weemoedige Raymond van het Groenewoud, is hij gewoon moegeleefd. Klaar om te gaan, spreekt de zanger uit. „Wat zou het fijn zijn; de dag dat je in je bed kunt blijven liggen en dat het licht uitgaat.” Het vermoeide gevoel trof hem ook bij de cd-opnames. „Als dit nu de laatste keer was”, dacht hij, „ zou dat dan erg zijn. Nee, dat zou niet kwalijk zijn.”

Maar bestempel dit alles nu niet als tristesse. Hier zit een man met twee gezichten. De lach en traan zitten dicht op elkaar. Evenals de paljas en poëet. De opstoten van energie zijn er ook nog, heus. „Het enthousiasme kruipt in mijn dagelijks leven in vrijen, sporten en optreden. En de rest breng ik toch tamelijk lethargisch thuis hangend door. Men constateert dan ook: goh wat ben je verschillend. De idioot op het podium hangt thuis wat.”

Het openingsnummer Aan de Meet kan dan ook beschouwd worden als zijn melancholieke versie van My Way. „Ik draag al veel mooie dingen in mij mee”, zegt Van het Groenwoud. „Ik ben echter niet de whiskyman die zich op zijn borst klopt. Meer de stille fluisteraar die zegt: ik zal mijzelf zijn aan de meet. Aan de eindstreep. En waar de meet is, hier of ginder – dat maakt niet uit. Maar ik ben er niet bang voor.”

Vorig jaar, toen de Vlaming zestig werd, werd het grote terugblikken op zijn carrière ingezet. Veertig jaar op de planken. Een boek – zijn boek, zijn gedachten en scherpe observaties over tien thema’s. Maar ook zijn liedjes, deftig gebundeld met een kaft. En een tournee natuurlijk, België en Holland, langs hits uit het begin als Maria, Chachacha tot Komaan met dat lijf, Meisjes en Twee Meisjes. Van komisch naar sober, van romantisch tot dwaas. „Het was eigenlijk best een plezierreis”, stelt hij vast. „Ik ben nog altijd blij met de keuzes die ik ooit heb gemaakt. Het zelf gaan zingen, terwijl ik geen echte zanger was. Kompanen vinden om muziek te maken.”

Hij kijkt nog altijd uit naar een concert. Naar het publiek, maar ook naar de musici. „Ik heb uiteraard alle tijd gehad om na te denken over met wie ik speel. Ik neig er naar die vriend uit te kiezen die behoorlijk kan spelen, anders dan de virtuoze huurling. Toewijding kun je niet betalen.”

Was het publiek ver weg, wist hij, dan scheelde er wat aan het liedje. „Warmte, dat wil je.” Daar is hij niet vlug over uitgepraat. Het liedje is van belang. Ja natuurlijk. Maar ook het publiek zelf. Hij zag uiteenlopend volk. „En ben nu op een punt gekomen dat ik de ergste dingen wil uitsluiten.” Hij doelt op het gegooi met bier „op die hallekiedeefeesten”, met laveloze Hollanders in toenemende agressieve sfeer waar je „aan je fysieke welzijn moet denken”. De concerten in benauwde betonnen zalen. Zonder kapstok – ze zouden er toch maar mee gooien.

Maar ook de ‘achterkant’ van de veldrit in België. Een tent met iedereen erin. Heftig collectief en destructief. Alles moet kapot. „Wáár is dat feestje? Hier is dat feestje”, opjutmuziek. „Er hing wat in de lucht, blij dat we levend wegkwamen.” Maar haaks daarop zijn er ook de aficionado’s in het Kröller-Müller Museum die aandachtig luisteren.

Veel liedjes op De Laatste Rit gaan van triest naar troostrijk. Zeker als het koor van collega’s en vrienden tegen het einde inzet, zoals in Maanlicht. Het verjaagt de somberheid meteen. „Er wordt wel beweerd dat mijn imago in Nederland verkeerd is. Men zou mij vooral als popiejopie beschouwen. Het weemoedige wordt snel afgeserveerd. Men wil nu eenmaal de hit De Liefde voor Muziek horen, ook in De Wereld Draait Door. In Vlaanderen word ik algemener aanvaard, zowel mijn verstilde kant als mijn drukke kant.”

Zijn mensbeeld, in zijn jeugd geschapen door middel van de figuren in Winnie de Poeh, is onveranderd, zegt de zanger. „Ik ben blij als ik een dromende genieter als Winnie de Poeh tegenkom. Iemand die vol zelfbeklag zit, de Iejoor. Het gewichtigdoenerige Konijn.” Als je notities maakt van wat er zich in je leven afspeelt, kom je vanzelf aan zo’n lappendeken, zegt Van het Groenewoud. „Het leven voedt je enorm. Het is een fijn idee dat er veel ballast overboord te gooien is en je zo naar de essentie gaat.” Hij schrijft van zich af. Hoeft daardoor niet naar de therapeut. Catharsis is het, vaak.

Neem het liedje Het Kind van het Weekend. Zijn derde kind is nu negen jaar. Hij ziet hem om het weekend. „Er bestaat veel pijn bij de symboliek”, slikt Van het Groenewoud zijn emotie weg. „Zijn lege slaapkamer, je ziet het onaangeroerde speelgoed. Dat je weet, dit is alweer de tiende dag dat daar geen leven is....”

„Ik had er enorm vaak last van. In zo’n liedje is het belangrijk dat er geen schuld wordt gelegd, maar gewoon het gegeven en de onmacht worden beschreven. Niet letterlijk benoemd. Dat zou te veel van het goede zijn. De meesten ruiken het toch wel, wat het wordt wel erg stil als ik het speel.” Lang kreeg hij het zelf te kwaad als hij het speelde. „En toen ik laatst dacht dat ik de tranen te baas was, stond er een man voor het podium met een kindje op zijn schouders. Geen vrouw te bekennen. Ik heb toen expres weggekeken.”

Dagen kauwt hij op de juiste woorden voor zijn teksten. Een bijna manisch sleutelen is het, lacht hij. „Ik weet nu dat iets makkelijk kan lijken, maar lang heeft gekost om het zo te krijgen. Terwijl bombast, och... da’s al snel feestelijk.” Bij teksten van toen betrekt het gezicht. „Ik heb er wel correcties in willen aanbrengen. Wat was ik destijds ongeduldig. Ik schreef mijn teksten vroeger veel te snel. Maar wat blijkt: eenmaal gecorrigeerd zie je hoe zo’n lied zich in je wezen heeft ingepland. Zong ik drie weken later toch die oude zinnetjes weer.”

Raymond van het Groenewoud: cd De Laatste Rit (EMI). Diverse concerten in België, o.a. 11/11 Handelsbeurs, Gent; 19/11 Gebouw-T, Bergen op Zoom.