Even schaamteloos charmant als komisch en eng

Hij was Nederlands eerste filmacteur zonder toneelachtergrond. Rijk de Gooyer speelde in meer dan vijftig speelfilms – van strenge SS’ers tot lieve opa’s – en was een geweldig komisch duo met Johnny Kraaykamp.

Een van zijn mooiste complimenten kreeg Rijk de Gooyer in 1977 van de toenmalige koningin Juliana. Toen de vorstin na de galapremière van Soldaat van Oranje, in theater Tuschinski in Amsterdam, handjes kwam geven aan de regisseur, de producent en de voornaamste acteurs, kon ze ten overstaan van Rijk de Gooyer niets anders uitbrengen dan dat ze meneer De Gooyer „wel erg eng” had gevonden. En dat was precies wat hij in de rol van machtsbelust collaborateur wilde bereiken: een beul die door te lachen des te huiveringwekkender wordt. Zulke rollen speelde hij oneindig veel liever dan de schoongewassen held. Hij was er, in tegenstelling tot de meeste andere acteurs, nooit op uit sympathiek te worden gevonden – integendeel.

Woensdag is de acteur en komiek overleden aan de gevolgen van kanker. Hij was 85 jaar.

Rijk de Gooyer was een gereformeerde bakkerszoon uit Utrecht, die altijd al artiest wilde worden, maar van zijn vader niet naar die duivelse toneelschool mocht. Eerst trok trouwens een heel ander avontuur. Met een vriend zwom hij in het najaar van 1944 over de Waal om het bevrijde zuiden te bereiken. Daarna trok hij in uniform met de geallieerden mee, was aanwezig bij de arrestatie van Himmler en fungeerde in 1945 zelfs nog even als stellvertretend Bürgermeister op het eiland Sylt, zoals hij menigmaal vertelde. Wat er precies waar was van al die verhalen, is nooit vast komen te staan. Maar wel is duidelijk dat hij ten slotte ietwat verwilderd uit de oorlog tevoorschijn kwam. En dat hij daarna eigenlijk nooit meer in enig gareel heeft gepast.

De baantjes die De Gooyer vervolgens ter hand nam, mislukten allemaal. Ook de betrekking als radioreporter bij de NCRV, die hij in 1948 wist te bemachtigen. Uit politieke onwetendheid had hij een communist voor de microfoon gehaald, en dat kon bij die omroep niet door de beugel. Maar een van zijn bazen vermoedde, dat er in deze jongeman wel eens enig komisch talent zou kunnen schuilen – zo groot was het aanbod van komieken van gereformeerde huize nu eenmaal niet.

In de populaire Steravond, het veelbeluisterde amusementsprogramma van de NCRV, speelde De Gooyer zijn eerste typetje: Loewietje de klusjesman, die wekelijks een komisch bedoeld praatje hield. „Een heel slecht typetje”, zei hij later, maar het bezorgde hem wel zijn eerste bekendheid. Al gauw kon hij van Kees Brusse een ander radiotypetje overnemen (de slimme straatfotograaf Kobus Rarekiek), waarna hij in 1949 mocht toetreden tot het cabaretensemble van Wim Kan, en in 1953 bij de VARA zijn derde – en meest succesvolle – typetje lanceerde: Bartels, de in plat Utrechts keuvelende huis-aan-huisverkoper, wiens welkomstwoord („goejendàààg!”) al genoeg was om een daverende lach te oogsten.

Halverwege de jaren vijftig kwam Rijk de Gooyer op het idee een duo te vormen met de cafékomiek Johnny Kraaykamp. De combinatie werkte wonderwel: Kraaykamp excelleerde als de underdog die de lachers op zijn hand had, en De Gooyer was als geen ander in staat de vaak vlerkerige aangever te spelen. Het duo Johnny & Rijk, dat ook tv-shows maakte als Een paar apart, verloste hem van de plicht zelf als komiek naar de sympathie van het publiek te dingen. Omdat hij achter de schermen wel met graagte allerlei grappen uithaalde, duidde Wim Kan hem aan als „kleedkamerkomiek”. Veel vrienden en collega’s beamen dat De Gooyer zijn beste scènes in kleedkamers en cafés speelde – hij was de gangmaker van allerlei venijnige practical jokes, een meeslepend verhalenverteller, onverbeterlijke pestkop en kampioen van de kleurrijke belediging.

Zijn eerste filmrolletje kreeg De Gooyer in 1955, als hongerig pianist in Het wonderlijke leven van Willem Parel met Wim Sonneveld, en twee jaar later verscheen hij als bruidegom in de komedie Kleren maken de man – geen opvallend wapenfeit, maar de Duitse lopende-band-regisseur Georg Jacobi vond hem een geschikt filmacteur („Der Typ ist gut”) en bezorgde hem een introductie voor de filmschool van de UFA in Berlijn. Lang duurde zijn verblijf daar niet; de school werd al gauw opgedoekt en verder dan een rolletje in de flop Schachnovelle kwam hij niet. Maar wel onthulde hij vele jaren later, dat hij toen 2.000 gulden per maand verdiende door aan de geheime diensten BVD en de CIA informatie door te geven over Oost-Berlijnse toneelspelers – onschuldig en deels gefantaseerd, voegde hij eraan toe. Ook van dat verhaal staat het waarheidsgehalte trouwens niet vast.

Terug in Nederland voegde De Gooyer zich weer bij Kraaykamp, met wie hij tot halverwege de jaren zeventig bleef samenwerken. Behalve de tv-shows maakten ze ook hits, zoals Wij zijn twee eenzame cowboys, De Bostella en Oh Waterlooplein, en de mislukte kluchtfilm Geen paniek (1973). En als solist zong hij, op tekst van Eli Asser, het kluchtige Brief uit La Courtine, over de Nederlandse soldaten die destijds in de Franse legerplaats La Courtine waren gelegerd.

Als filmacteur maakte Rijk de Gooyer pas in 1972 echt indruk, in De inbreker van Frans Weisz. De regisseur werd door producent Rob du Mée heftig onder druk gezet om De Gooyer de hoofdrol te laten spelen; zelf zag de regisseur niets in zo’n luidruchtige komiek. Maar achteraf was Weisz de eerste om zijn ongelijk toe te geven. En terecht: weinig anderen hadden deze Glimmie, met zijn achter veel vlotte charme verstopte gevoeligheid, zo genuanceerd en zo authentiek kunnen spelen. De inbreker betekende het begin van een carrière, die ten slotte een recordaantal van zo’n vijftig films – inclusief bijna alle hoogte- en dieptepunten van de Nederlandse filmindustrie – zou omvatten. Van de begripvolle inspecteur in Ciske de rat en een sensibele vaderrol in Sabine tot en met de karikaturale commandant in Schatjes en de groteske, maar tegelijk deerniswekkende vader in De avonden. De film werd zijn favoriete werkterrein, hoewel hij ook diverse toneelrollen heeft gespeeld. Dat ene moment van concentratie voor een camera was hem liever dan de herhaling die bij het toneel noodzakelijk is.

Op diepe gedachten over zijn werk was De Gooyer zelden te betrappen. Hij zei hooguit van een regisseur te verwachten dat die het uiterste uit hem zou halen – anders bleef hij steken in het soort routineuze klusjes, dat hij veelvuldig liet zien in lucratieve reclamespotjes. „Wat dat betreft ben ik een hoer, een slet”, zei hij, met dezelfde schaamteloosheid waarmee hij ook de pers te woord stond over zijn laatste film. Als zo’n film hem niet beviel, zei hij dat ronduit – bijvoorbeeld over zijn (mooie) rol als oude toneelspeler in Hoogste tijd: „Al die symbolen, godsammekraken zeg.” En in diezelfde nonchalante sfeer wierp hij in de tv-taxi van Maarten Spanjer zijn pas in ontvangst genomen Gouden Kalf uit het autoraampje. Al haalde hij de trofee later – buiten beeld – wel weer uit de berm om die achter de bar van zijn Amsterdamse stamcafé neer te zetten.

De laatste jaren werd Rijk de Gooyer getroffen door diverse ongelukken en beroertes, die hem langdurig uit de roulatie hebben gehaald. Hij speelde alleen nog een zwijgend rolletje in Happy end van Frans Weisz, in 2009. Van een laatste glansrol is het zodoende niet meer gekomen. Maar wat hij nalaat, is bijzonder en veelzijdig genoeg om bewonderend op terug te kijken.

Henk van Gelder

    • Henk van Gelder