Een sprong voorwaarts of een val neerwaarts

Protesteren mag toch ook wel een beetje leuk zijn? Waarom regende het dan afgelopen dagen zo op het Beursplein? Mafkezen en toeristen in lekke tentjes tegen ‘het systeem’.

Waarom moest ik juist op zo’n regenachtige dinsdagavond naar het Beursplein om te achterhalen of de wereld zeer binnenkort zal veranderen of niet? En waarom voelde ik me een sul, in een lange zwarte jas en – toppunt van burgerlijkheid – een paraplu in de hand? Zo verschijn je niet op een heuse protestbijeenkomst.

Het is toch wat, die regen. Al die tentjes, bijna drijvend op de stenen van het plein. Protesteren mag toch ook iets leuks hebben? Het geeft het fijne gevoel van eensgezindheid, tenminste, als je het met elkaar eens bent waartegen je protest aantekent.

Nu hebben veel mensen al lacherig gedaan over het feit dat de Occupy-beweging geen eensluidend doel heeft. Maar wacht eens even: hoe eensluidend wil je het hebben, als je bereid bent om bij dit weer te slapen op de grond en het toilet te delen met veertig man?

Maar goed, ik kreeg niet echt het idee dat ik hier te maken had met mensen die voornemens waren de wereld te veranderen. Wat ik zag was ongerustheid. Mensen die het niet meer begrepen en zuiver gevoelsmatig tot het inzicht kwamen dat het niet klopt, de wereld.

Waarom is het zo moeilijk de ongerustheid van deze beurspleinbezetters te begrijpen, terwijl we er geen enkele moeite mee hebben als we horen dat de koersen kelderen, omdat beleggers een soortgelijke ongerustheid ervaren?

Wat beleggers voelen, heeft reële consequenties, zoveel weet ik. Maar wat bezetters voelen, waarom heeft dat nou geen gevolgen? Omdat wij, de mensen van de pers, gezamenlijk besloten hebben dat het om idioten gaat die we niet serieus hoeven te nemen? Omdat ze eruit zien als bejaarde hippies die beroepsmatig protesteren tegen geeft niet wat? Omdat ze juist in de grote tent waar vergaderd wordt en waar een keurig ‘Niet-Roken’ bordje hangt, hun joints aan het draaien zijn? Mafkezen, sommigen uit het buitenland, die een gratis kampeerplekje hebben gevonden en blij zijn met een kopje thee in de ochtend?

In de grote tent waar vergaderd werd spraken ze trouwens Engels. Dat gaf aan de toeristen een fikse voorsprong, en de notulist, die notabene een laptop van Apple op zijn schoot had, moest de prangende vraag opschrijven van een man: ‘Waarom bestaat geld eigenlijk?’ Waarop iemand hem toebeet: ‘Zoek dat op. Daar is het internet voor.’

Oké, ik moest toen ook even lachen, maar ik blijf de ongerustheid serieus nemen. Thomas Friedman, de beroemde columnist van The New York Times, dwong zichzelf ook de Occupy-beweging serieus te nemen, in een stuk van 11 oktober. Hij signaleerde twee grote verhalen die proberen de bezetting van de pleinen in de wereld te verklaren. Het ene verhaal zegt dat ‘het systeem’ aan zijn eind is gekomen, zowel financieel als ecologisch, en het andere verhaal zegt dat we op het punt staan een nieuwe sprong voorwaarts te maken, dankzij de razendsnelle technologie die de huidige instituten hijgend achterlaat.

Beide mogelijkheden geven aanleiding tot ongerustheid. De mensen hier op het Beursplein, in de regen, om half twaalf ’s avonds, hebben alleen geen idee wat het zal worden: de sprong voorwaarts of de val neerwaarts.

Ik legde het voor aan een man die zijn tent aan het openritsen was. Hij leek een beetje op een sprookjesfiguur: kort en dik en een grijze baard. Hij vloekte en tierde omdat zijn tent lek was en hij zijn enige handdoek moest gebruiken om zijn luchtbed droog te vegen.

Is dit het begin van iets nieuws, of het einde van alles, vroeg ik. Hij had geen idee, zei hij. Zijn tent was lek, of ik daar een beetje begrip voor had. Maar als hij er even over nadacht: maakte het wat uit, een begin of een eind?

De column ‘Dezer dagen’ van J.L. Heldring verschijnt wegens ziekte niet.

    • Anil Ramdas