Alles begint met het gevoel dat er iets mis is

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: Occupy en de drie ideologische problemen van de protestbeweging.

De scepsis die de Occupy-beweging in de opinie-orkaan ten deel viel, leidde tot grote verontwaardiging bij Rutger Bregman van De Groene Amsterdammer. Hij schrijft: „De demonstratie [heeft] ’s lands opiniemakers collectief te kijk gezet als een oubollige kaste die zich enkel tenenkrommend blasé, pruilerig en hautain weet op te stellen tegenover de eerste publieke roerselen in verband met de wereldwijde economische crisis.”

In zijn column worden Bas Heijne, Sheila Sitalsing en Theodor Holman aangehaald, waarbij laatstgenoemde de wenkbrauwen het hoogst liet rijzen door de demonstranten antisemitisme te verwijten. Bregman noemde het „gênant” dat deze en andere publicisten eerst kritiek hadden op misstanden, en vervolgens het protest tegen die misstanden bekritiseerden.

Publicisten wordt wel vaker lafheid verweten. Ze bedrijven ‘vanuit hun ivoren toren’ een soort ‘luiestoeljournalistiek’. Maar in het geval van Occupy lijkt deze kritiek ook gestoeld op de diepgewortelde behoefte aan inspirerende, intellectuele leiders. De onderliggende vraag van stukken met titels als ‘Waar wacht Bas Heijne op?’ is: we hebben je nodig, waar blijf je nou? De huidige bezetters vormen met hun aandoenlijke vergaderingen via de ‘human microphone’ inhoudelijk niet de meest inspirerende groep mensen.

De filosoof zit intussen thuis met een dilemma: moet ik mijn woorden omzetten in daden, of in een veilige, meer genuanceerde positie blijven? Vurig schrijven en vurig strijden zijn twee heel verschillende dingen. Michel Foucault streed mee tijdens de studentenprotesten van 1968 in Parijs, Theodor Adorno belde juist in paniek de politie toen zijn collegezaal in Frankfurt in datzelfde jaar werd bezet.

De bekende kritiek op Occupy, ook van sympathisanten, is het gebrek aan boodschap en daadkracht. Dit protest lijkt wat dat betreft niet op de legendarische studentenprotesten van 1968, die duidelijke eisen en korte, hevige acties kenden. Zouden dergelijke voorwaarden bij Occupy de intellectuelen dan wel overhalen tot deelname? Op Wall Street sprak juist de filosoof Slavoj Zizek zich tegenover de demonstranten uit tegen deze verduidelijking van de protestdoelen. Volgens Zizek geeft dit protest ons nu eindelijk met klem de opdracht om over alternatieven voor ons systeem na te denken, zonder dat hier direct een klinkklaar plan uit voortkomt. Alles begint met het gevoel dat er iets mis is en het zo niet verder kan, de rest komt later. Is dit dan het nieuwe protesteren, waar de opiniemakers maar niet aan kunnen wennen?

Het lijkt in elk geval erg op de boodschap die Albert Camus aanhaalt in zijn boek De mens in opstand (1951). Hij stelt hierin dat de ‘opstandige mens’ eerst vanuit een irrationele weerstand stopt met zijn gebruikelijke handelen en simpelweg ‘nee’ zegt. Hij verandert van houding, nog niet wetend waarom. Deze vage, maar gedeelde nee-gevoelens van de opstand zijn belangrijker dan het latere ‘ja’ dat zich achter nieuwe ideeën schaart. Dan wordt de opstand een revolutie, die volgens Camus altijd catastrofale gevolgen heeft. In feite vertegenwoordigt de Occupy-beweging zijn ideaal: een hele lange ‘nee’, die maar geen ‘ja’ wil worden.

Maar toch, waar moet het heen? Er moet toch uiteindelijk een antwoord komen? Ideologisch gezien zijn er drie problemen met de Occupy-beweging.

Ten eerste bestaat de beweging voornamelijk uit jongeren. Het is bekend dat de huidige generatie twintigers en dertigers opgegroeid is in een wereld zonder grote verhalen en zich graag bedient van de postmoderne relativering. We hebben hier dus te maken met een ontegenzeggelijk cynische generatie, die zich zeer bewust is van haar eigen beperkingen. De overvloed aan informatie maakt bovendien dat het de enigszins geëngageerde student al snel duizelt en apathie een veel prettigere keuze lijkt. Geen goede voorwaarden voor idealisme. Daar verandert een boekje van een 93-jarige Franse verzetsheld niet veel aan.

Ten tweede is er het probleem dat deze beweging is voortgekomen uit een gevoel en daar haar kracht aan ontleent, zoals Zizek en Camus aangeven. Het heeft bovendien een duidelijke vijand in het kapitalisme, een zeer rationele ideologie die de wetten van vraag en aanbod aan vele onderdelen van de samenleving oplegt. De vraag om een directe oplossing, is een feite een opdracht om de onderbuikgevoelens in te ruilen voor efficiëntie. Dat zou net zo’n inhoudelijke contradictie betekenen als de Amsterdamse burgemeester Van der Laan die over een „beheersbaar protest” spreekt. De vage gevoelens waaruit protest voortkomt, vormen de essentie van hun boodschap. Ze kunnen daar geen rationele uiting aan geven.

Het laatste obstakel voor een Occupy-ideologie is het feit dat men zich op een wereld richt die nog niet bestaat. Men wil maar weinig behouden van onze huidige leefwereld: ons economisch systeem, de verdeling van welvaart, de politiek, de media, alles moet het ontgelden.

Die bezwaren zijn zeker begrijpelijk, maar de vraag is: wat dan? Daar stokt het verhaal meestal, of vervalt in utopisch gezwets over ronde steden waar alles door robots geregeld wordt. Historicus Tony Judt opende zijn laatste boek Het land is moe veelbelovend met de prachtige zin: „Er is iets fundamenteel mis met de manier waarop wij leven”, maar wees vervolgens ook alleen maar achterom naar de deugden van de sociaal-democratie. Dat is allemaal heel begrijpelijk: over een nieuwe wereld, misschien wel zonder kapitalisme, kan nog niet gesproken worden. Die zal heel langzaam ontstaan uit gesprekken, kleine ideeën, artikelen en personen.

Zelf houd ik ook wel van dit gebrek aan antwoorden. In een tijd van instant-oplossingen is het fijn om te horen dat iemand het (nog) niet weet. De voortdurende geveinsde zekerheid doet geen recht aan de complexiteit van onze problemen. Dan kun je beter je gevoel volgen. Toen ik als twaalfjarige de open dagen van middelbare scholen bezocht, werd ik gek van alle wervende praatjes waarmee ze me probeerden in te lijven. Overal dachten ze beter te weten wat goed voor mij was dan ikzelf. Tot ik uiteindelijk een school bezocht waar de rectrix in haar speech tot ons zei: „Ik ga je niet vertellen dat dit de beste school voor je is. Dat weet ik niet, dat moet je zelf maar bepalen. Loop rond en kijk of je je thuis voelt.” Het mag duidelijk zijn voor welke school ik koos.

Dat neemt niet weg dat ook voor het voorzichtig beantwoorden van al deze vragen wel degelijk de inspiratie en verbeeldingskracht van grote denkers nodig zijn. Hopelijk zullen zij zich over hun norsheid en scepsis heen zetten en snel een tentje op het Beursplein zetten om mee te praten – of op z’n minst een campingstoeltje.