Worden huisartsen vaker ziek?

„Een huisgenoot van mij was naar de dokter geweest en bleek bronchitis te hebben”, schrijft Maarten Martens uit Enschede. „Toen we het over zijn medicijnen hadden, vroeg ik me af of een dokter ook medicijnen moet slikken, omdat hij de hele dag patiënten over de vloer heeft. Waarom wordt een dokter nooit ziek van zijn patiënten?”

„Dat is een ontzettende goede vraag, dat mag u opschrijven”, zegt hoogleraar Huisartsgeneeskunde Geert Jan Dinant van de Universiteit Maastricht, die naast zijn werk als onderzoeker ook een eigen huisartsenpraktijk heeft.

De vraag is goed, een antwoord is een stuk moeilijk te geven volgens Dinant. „Het is lastig. Er is geen onderzoek naar gedaan. En om me heen hoor ik collega’s niet klagen dat ze sneller ziek worden. Maar in theorie zou een huisarts meer risico moeten lopen.”

En dat gaat de komende tijd nog verder toenemen. We staan op het punt een nieuw ‘griepseizoen’ in te gaan. Dat gebeurt elk jaar, rond deze tijd. In de koudere periode hebben mensen namelijk minder weerstand en zijn ze gevoeliger voor besmetting.

Maar toch, de Nederlandse huisarts heeft geen opvallend hoger ziekteverzuim dan andere beroepsgroepen. Daar zijn volgens Dinant twee mogelijke verklaringen voor. Ten eerste: huisartsen zouden door al die hoestende en niezende patiënten in hun spreekkamer wel eens „een beetje immuun” kunnen raken voor besmettelijke ziektes, volgens Dinant. „Huisartsen bouwen meer weerstand op. Het zou goed kunnen dat het dokterslijf daarom beter tegen dit soort ziektes kan.”

Ten tweede: huisartsen, en werknemers van ziekenhuizen overigens net zo goed, treffen voorzorgsmaatregelen. Heeft iemand een huidziekte, weet de dokter dat je de huid niet met blote handen aan moet raken, maar handschoenen moet gebruiken. Instrumenten worden voor gebruik ontsmet. Een ontstoken keel? De arts doet een mondkapje voor.

En om ziek te worden is weinig meer nodig dan je „onder mensen begeven”, zegt Dinant. „Dat doet iedereen, niet alleen huisartsen. Zieke mensen kom je ook bij de Bijenkorf tegen.”

Stijn Bronzwaer