Woont er echt niemand in uw tuin?

De deurbel. „Bent u al geteld, meneer?” Het is Musa, het vriendelijke gezicht dat al weken aan de lantarenpaal hangt, de enquêteur voor de census. Zuid-Afrikaan zal ik nooit worden, maar wie geteld wordt, is althans voor de bureaucratie geïntegreerd. Ik zwaai het hek open.

Verbaasd neemt hij met een dik pak onhandig grote formulieren plaats aan de eettafel. Ik blijk de eerste die hem een stoel geeft. „Zuma is mijn president niet, dus je bekijkt het maar met je volkstelling”, riepen de buren volgens Musa. Wie na veel gesoebat meewerkte, beantwoordde de vragen bij voorkeur schreeuwend over de muur of door de intercom.

Hij begrijpt de paranoia wel. In onze wijk hebben nepvolkstellers in de eerste week een ouder echtpaar overvallen. Al weken gaan zorgelijke e-mails rond over het veiligheidsrisico van de census. Zo’n keurig ogende enquêteur kan zien wat er in je huis te halen valt en criminele vriendjes op de hoogte stellen. „De mensen zijn bang”, zegt Musa.

Juist daarom hebben in de kranten beschrijvingen gestaan van de volkstellers. Ze zijn te herkennen aan het kanariegele hesje, een al even gele tas en een zwarte pet . Wie het nog niet vertrouwt, kan gratis bellen met het bureau voor de statistiek om het identificatienummer van de teller te verifiëren. Ik was dit natuurlijk allemaal vergeten toen ik Musa’s vriendelijke gezicht zag. Een Zuid-Afrikaan zal ik nooit worden.

Musa wil weten hoeveel mensen hier wonen. „Weet u zeker dat er niet nog een tuinman of schoonmaakster in de schuur verblijft?” Argwanend kijkt hij in de tuin. „Zimbabwanen tellen ook mee”, zegt hij zakelijk. Anderhalf tot twee miljoen Zimbabwanen wonen merendeels illegaal in Zuid-Afrika.

Ik nodig Musa uit om tussen het tuingereedschap te zoeken. Maar hij gelooft me en vervolgt de vragenlijst. Hij wil weten wat voor dak ik boven mijn hoofd heb. („Dakpannen? Plastic? Karton? Golfplaten?”).

Welke talen spreek ik thuis? („Afrikaans? Zulu?”). Hoe ver is de dichtstbijzijnde drinkwaterbron? Houd ik koeien of kippen in de tuin?

Dan: „Wat is uw ras?”

Zeventien jaar na het eind van de apartheid ligt alles wat met huidskleur te maken nog altijd gevoelig. Eigenlijk staat er op het formulier: Hoe zou [naam] zich omschrijven betreffende bevolkingsgroep? 1. Zwarte Afrikaan, 2. Kleurling, 3. Indisch of Aziatisch, 4. Wit, 5. Anders. Maar Musa wil de zaak niet nodeloos ingewikkeld maken.

De lelieblanke politica Helen Zille schreef dat ze aan haar enquêteur voor de grap voorstelde om de „potloodtest” te doen. Dat was de gangbare methode om tijdens de apartheid te bepalen tot welke ‘bevolkingsgroep’ iemand behoorde. Als het potlood in je haar vast bleef zitten, dan was je zwart. Musa wacht mijn antwoord maar niet af.

Peter Vermaas

    • Peter Vermaas