Vrouwen nemen de steden over

In veel grote steden groeit het overschot aan jonge vrouwen. Die gaan daar studeren en werken. Maar ze zullen meer moeite krijgen een partner te vinden.

„De stad is natuurlijk gewoon paaigrond, hier komen de visjes naartoe om te paren”, zegt ze openhartig. Ze is een sprankelende vrouw van 28, geboren in Amersfoort, studeerde in Groningen en kwam voor werk naar Amsterdam. En voor een leuke man, natuurlijk. Sinds kort is deze vrouw – „nee, mijn naam hoeft niet in de krant” – via een bureau aan het daten en het valt haar op dat de meeste kandidaten uit de buurt van Rotterdam komen. „Het lijkt wel of er in Amsterdam geen geschikte mannen meer zijn.”

Statistisch heeft deze dater gelijk. Amsterdam heeft een overschot aan jonge vrouwen. Als je kijkt naar de leeftijdscategorie 18 tot 29 jaar, zijn er ruim twaalfduizend vrouwen meer dan mannen, blijkt uit de jongste cijfers van het CBS. In totaal telt de hoofdstad ruim 72.000 mannen en bijna 85.000 vrouwen. Tien jaar geleden was het overschot nog eenderde kleiner.

En dan heeft ze nog geluk dat ze niet in Utrecht is terechtgekomen. Die stad heeft relatief de scheefste verhouding: ruim 43.000 vrouwen in de leeftijd tussen de 18 en 29 jaar op 33.000 mannen. Oftewel, hier dingen 129 vrouwen om de gunsten van honderd mannen. Ook Rotterdam heeft een overschot aan jonge vrouwen, maar dit is kleiner dan in Utrecht en Amsterdam.

Hoogleraar demografie Jan Latten zegt dat de verhouding tussen mannen en vrouwen onder jongeren steeds schever wordt. De grote universiteitssteden trekken steeds meer jonge vrouwen, met uitzondering van de steden met een technische universiteit of met vooral technische opleidingen, zoals Delft, Eindhoven en Enschede. Tegelijk laten jonge mannen het steeds vaker afweten met studeren – zij blijven achter op het platteland.

Regio’s als Oost-Groningen, grote delen van Friesland, de Achterhoek, Noord- en Midden-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen laten daardoor het spiegelbeeld van de meisjessteden zien: hier wonen op iedere honderd mannen slechts 85 tot 91 vrouwen. De krimp waarmee de randen van Nederland kampen, is dus selectief: het zijn de succesvolle jonge vrouwen die wegtrekken. „Vrouwen doen het steeds beter, ze zijn ambitieuzer dan mannen en hebben een grotere bereidheid om te verhuizen voor studie en werk”, zegt Latten.

Tot nu toe werd de verhouding na de studietijd rechtgetrokken. Rond hun dertigste hadden de meeste vrouwen een vaste partner en het jonge gezin in spe trok weg uit de stad. Latten betwijfelt sterk of dat zo blijft gaan. Steeds meer vrouwen vinden niet de man die ze zoeken. Dat komt maar gedeeltelijk door het tekort in absolute aantallen. Vrouwen zoeken namelijk een man die minstens hetzelfde opleidingsniveau heeft als zijzelf, terwijl een man een partner ‘onder zijn niveau’ geen probleem vindt. Sterker nog, dat vindt hij vaak wel aangenaam, want daarmee kan hij zijn macht laten gelden. Het is de klassieke directeur die trouwt met zijn secretaresse. De te kleine vijver waaruit vrouwen moeten vissen, wordt dus ook nog eens leeggeroofd door lageropgeleide seksegenoten.

En op een dag komt dan de vraag: en nu? Weggaan uit de stad is nauwelijks een optie. Weliswaar is de concurrentie er groter, maar de kans op een partner met een gelijk opleidingsniveau is er nog altijd vele malen groter dan op het platteland. Latten: „Vrouwen zijn steeds minder bereid de investering die ze in zichzelf hebben gedaan te verkwanselen.”

Latten is bezorgd. „We weten dat mannen zonder partner riskanter leven. Ze zorgen slecht voor zichzelf, drinken meer, vereenzamen. Wie gaat op het krimpende platteland voor de sociale verbanden zorgen?”

Een voorproefje van deze ontwikkeling biedt het Oost-Duitse platteland, waar in vijf regio’s al minder dan tachtig vrouwen per honderd mannen zijn, met alle criminaliteit en rechts-radicalisme van dien. Het Duitse onderzoek Not am Mann laat zien dat dit systeem zichzelf versterkt. Streken waar al weinig vrouwen wonen, verliezen er steeds meer.

Voor de stad voorziet Latten minder problemen. „Steden blijven groeien en daarbij feminiseren ze verder. Vrouwen zullen de stad steeds meer naar hun hand gaan zetten, bijvoorbeeld door andere woonvormen te creëren. Tegelijk zien we dat vrouwen niet meer wegtrekken als er kinderen komen. Beide partners werken en in de stad is dat met crèches, winkels en culturele voorzieningen onder handbereik makkelijker te organiseren dan in de suburbs.”

In zijn boek De aantrekkelijke stad brengt geografisch econoom Gerard Marlet in kaart welke steden het goed doen en waarom. Kijkend naar de ontwikkeling van de huizenprijzen en naar de toestroom van hoogopgeleiden, nerds en creatievelingen, concludeert Marlet dat theaters, een historische binnenstad, veiligheid, koopwoningen en de nabijheid van natuur de belangrijkste verklarende factoren voor het succes van steden zijn. Naar vrouwen heeft hij niet apart gekeken. Maar als je de lijst van Marlet naast de CBS-lijst van steden met een vrouwenoverschot legt, dan springen de overeenkomsten in het oog.

In de top-10 van de meest succesvolle steden is het overschot aan jonge vrouwen groot. Op elke honderd jonge mannen wonen daar gemiddeld 115 vrouwen. Tien jaar geleden waren dat er nog maar 109. De onderkant van de lijst laat het tegenovergestelde beeld zien: de tien minst succesvolle steden hebben slechts 95 vrouwen per honderd mannen.

Kip en ei zijn moeilijk te onderscheiden, maar het gaat in elk geval wel om ontwikkelingen die parallel lopen en elkaar versterken. Huib Schreurs, oud-directeur van Paradiso en De Groene Amsterdammer, ontdekte dat je bij nieuwe boeken en bands alleen maar hoeft te kijken naar het aantal jonge meiden dat op de presentatie of het concert afkomt, om te bepalen of het een succes wordt. Blijkbaar geldt de ‘Wet van Schreurs’ ook voor steden.

    • Tijs van den Boomen