Hoe een 'zware mafkees' olympisch kampioen werd

Sportkoepel NOC*NSF had oud-kampioenen gevraagd de huidige generatie olympische sporters advies te geven. Zwemkampioen Pieter van den Hoogenband deed ook zijn verhaal. „Ik trainde hard, maar feestte net zo hard.”

Pieter van den HOOGENBAND,sportman.foto VINCENT MENTZEL/NRCH.Geldrop,21 dec.2004==F/C==

„Moet je dit zien”, zegt Pieter van den Hoogenband als hij uit een enveloppe met persoonlijke spullen trots zijn zwemdiploma A tevoorschijn haalt. „Zo is het ook bij mij begonnen.” En dan lachend: „Het is mijn enige zwemdiploma.”

Toen Van den Hoogenband als vijfjarig jongetje zijn eerste kleine zwemsucces behaalde, kon hij niet vermoeden dat hij zeventien jaar later tot olympisch kampioen zou worden gehuldigd. De weg er naartoe was allerminst geplaveid, vertelde hij de huidige generatie olympische sporters in het Amsterdamse DeLaMar Theater bij de eerste teambijeenkomst van de sportkoepel NOC*NSF ter voorbereiding op de Olympische Spelen in Londen.

Van den Hoogenband, die met oud-kampioenen als judoka Mark Huizinga, wielrenster Leontien van Moorsel, atlete Ellen van Langen, volleyballer Bas van de Goor, hockeyster Minke Booij en bokser Arnold Vanderlijde was gevraagd ervaringen uit te wisselen, hing zijn verhaal op aan dat zwemdiploma. Als metafoor gebruikte hij het gat onder water, het befaamde eerste obstakel op weg naar het diploma. Daar begint het presteren, meent de drievoudige olympisch kampioen. „Want iedereen moet door dat gat, hoe dan ook.”

Het gros van de gediplomeerde zwemmers wordt nooit uitgezonden naar de Olympische Spelen. Maar voor de kleine groep die wel zover komt, had Van den Hoogenband een aantal behartigenswaardige adviezen. De belangrijkste: het gaat niet om kwalificeren, maar om presteren. „Alle randzaken rond de Spelen zijn mooi, maar leiden af. Je krijgt meestal maar één kans. En die moet je pakken.” Een andere aanbeveling van de meester zelf: maak keuzes, werk planmatig en laat je niet leiden door bijzaken. „Bij alles wat op mijn pad kwam vroeg ik me af: ga ik hier harder van zwemmen ja of nee? Bij de huidige generatie merk ik sterk de worsteling met studie of werk. Natuurlijk is leven van het stipendium op zeventig procent van het minimumloon geen vetpot. Zeker niet als je 26 jaar bent, een leuke vriendin hebt, een kind wilt en woonruimte nodig hebt. Maar ook daarin moet je keuzes maken en de consequenties aanvaarden. Want de tijd dat je kunt presteren komt nooit terug.”

Van den Hoogenband kwam op tijd tot bezinning. Bij de Spelen van 1996 in Atlanta greep hij met de vierde plaats op zowel de 100 als 200 meter vrije slag net naast de medailles. „Met de kennis van nu had ik twee plakken gewonnen. Wat ik toen deed sloeg nergens op. Ik kon niet eens het vereiste ritme van twee armslagen op zes beenslagen halen. Bovendien had ik mijn races slecht ingedeeld.”

Maar wat wil je van een jonge sporter die zijn eerste mondiale toernooi meemaakte en zichzelf destijds „een zware mafkees” vond. Van den Hoogenband: „De term lifestylesporter was bij uitstek op mij van toepassing. Ik trainde hard, maar feestte net zo hard. Ook in Atlanta na mijn wedstrijden. De volleyballers haatten mij. Zij hadden een missie: de gouden medaille. En als ik terugkwam van een avond stappen gingen de volleyballers alweer naar de training. Ik was toen een waardeloze sporter, echt wáárdeloos.”

Het negatieve hoogtepunt was volgens Van den Hoogenband de dag waarop de volleyballers hun gouden medaille wonnen. Hij had zich verslapen na een nacht doorhalen met zijn trainer Jacco Verhaeren en was te laat om de finale bij te wonen. „Ik kon mezelf wel voor de kop slaan, want ik moest in het olympisch dorp tv kijken. Als ik zo goed ben in de drankvoorziening moet ik me daarmee maar onderscheiden, heb ik gedacht. Waarna ik de volleyballers heb opgewacht met een kliko vol ijskoud bier.” Lachend: „Dat vonden ze bijna nog gaver dan de gouden medaille.”

De ommekeer bij Van den Hoogenband kwam na ‘Atlanta’. Maar pas nadat hij uit de valkuil voor topsporters was gestapt. „Ik kreeg vaak te horen dat ik gek was om ’s ochtends om vijf uur op te staan en met een ballenknijper aan elke dag in het zwembad te springen. Bovendien stonk ik naar chloor. Dat waren zo de standaardgrappen. Ik trok me dat aan, ging uit, dronk veel bier en at slecht. Het ging helemaal mis. Tot er een moment kwam waarop ik dacht: wat maakt het uit dat ik anders ben. Ik ben mijn leven vervolgens gaan organiseren. Maar joh, voor ik die tien kilo aan extra gewicht kwijt was en eindelijk weer in vorm raakte, dat heeft een jaartje geduurd. Het echte besef kwam pas bij de eerstvolgende EK, in Sevilla. Ik bereikte niet eens de finale van de 100 meter vrij, terwijl ik in Atlanta nog de snelste Europeaan was geweest. Pats pats, dat was een klap. Vanaf dat moment ben ik gaan opbouwen en heb ik grip op mijn carrière gekregen.”

Van den Hoogenband formeerde een team deskundigen en volgde vanaf dat moment zijn eigen koers. Natuurlijk botste hij vaak met het bevoegde gezag, maar hij is desondanks nooit van zijn lijn afgeweken. Hoeveel moeite dat kost, zag hij onlangs bij de Nederlandse turners, van wie zich bij de WK niemand voor ‘Londen’ kwalificeerde. „Hoewel ik niet in die sport thuis ben, denk ik dat ze elkaar het succes niet gunden. En door het vele geneuzel overheersten bijzaken de hoofdzaken. De turners hebben een grote kans gemist.”

Buiten de turners is Van den Hoogenband positief over het olympische niveau van de Nederlandse sporters. „Ik vind dat we er goed voorstaan. Als ik naar mijn eigen sport kijk, zie ik bij de vrouwen een estafetteploeg die keer op keer medailles wint, Sharon van Rouwendaal die bij de laatste WK brons wint op een olympische afstand en bij de mannen Sebastiaan Verschuren en Joeri Verlinden die eraan komen. Ik denk dat Nederland met een mooie score uit Londen terugkeert.”

Maar heeft Van den Hoogenband de sporters kunnen vertellen hoe je op het juiste moment kunt pieken? „Ik hoop het”, zegt hij bescheiden. „Maar het moet ook in je DNA zitten. Het klinkt uit de mond van deze ervaren rot wat zenachtig, maar ik had op een goed moment mijn angst geaccepteerd. Nee, niet de angst om te verliezen, maar voor het moment dat het moest gebeuren. Ik kon daar juist enorm van genieten. Twee miljard mensen voor de buis en met alle andere continentale kampioenen uitmaken wie de beste van de wereld is. Man, dát vond ik gaaf. Dat was de kick die ik uit mijn sport haalde.”

Nee, een rol als trainer ziet Van den Hoogenband niet voor zich weggelegd. En evenmin een rol als IOC-lid, de functie waarvoor zijn naam vaak wordt genoemd. „Die ambitie heb ik ‘geparkeerd’. Ik zou wel iets voor de wereldzwembond FINA willen doen. Of meehelpen de Jeugd Olympische Spelen naar Nederland te halen. Maar mijn grootste wens is het bedrijfsleven de motor van een gezonde samenleving laten maken. Bemiddelen, zodat het bedrijfsleven daar het belang ook van inziet.”

    • Henk Stouwdam