Geen stoornis, eerder een karakterfout

Bedrog in de wetenschap is van alle tijden en Diederik Stapel is geen uitzondering. Isaac Newton paste de feiten aan om zijn theorie over de zwaartekracht te bewijzen.

Hjalmar van Marle had Diederik Stapels gezicht wel eens willen zien als die ’s avonds achter zijn bureau data zat te verzinnen. Was het vreugdevol en triomfantelijk? Haha, wat kan ik dit toch goed en wat heb ik iedereen toch lekker bij de neus. Of was het gespannen en zorgelijk, angstig zelfs misschien. Het gezicht van een man die achterna gezeten wordt door zijn ambitie, een Hochstapler, maar zijn geweten voelt knagen. Het kan niet wat ik doe, maar nu moet ik wel doorgaan.

Hij is forensisch psychiater, Hjalmar van Marle, hoogleraar in het Erasmus MC en voorheen onder meer geneesheer-directeur van het Pieter Baan Centrum in Utrecht. Hij heeft Diederik Stapel nooit ontmoet, dus hij gaat echt niet zeggen wat de zo diep gevallen geleerde mogelijk mankeert. Maar als hij er toch wat over moet zeggen, dan denkt hij eerder aan een karakterfout dan aan een psychiatrische stoornis. Geen psychopaat die geniet van zijn gekte, geen ziekelijke leugenaar die elk contact met de realiteit is kwijtgeraakt (en nogal eens tot zelfmoord komt als hij ontmaskerd wordt), maar een neurotische persoonlijkheid die lijdt onder zijn eigen dwangmatigheid. Een type mens, zegt Van Marle, dat in de wetenschap goed kan gedijen.

Want: kleine wereld, grote concurrentie en een enorme prestatiedruk. En mensen willen aanzien. En als ze ook nog erg ijdel zijn, en van zichzelf overtuigd, en „freakerig”, en ze hebben een reputatie hoog te houden, dan kan het verleidelijk zijn om feiten die niet in het onderzoek passen weg te moffelen of aan te passen. Of, handiger nog, gewoon zelf te bedenken. „De weg der geleidelijkheid”, zegt Van Marle. „Op een gegeven moment kun je niet meer terug.”

André Köbben, cultureel antropoloog en vroeger hoogleraar in Amsterdam en Leiden, zegt dat mensen als Diederik Stapel lijden aan het ‘Ik-weet-het-toch-wel-syndroom’. Ze hoeven geen onderzoek te doen, want zij weten al hoe het zit. Köbben staat bekend als ‘normbewaker’ in de wetenschap doordat hij, samen met de cultureel antropoloog Henk Tromp, herhaaldelijk heeft laten zien hoe gemakkelijk de eerlijkheid van onderzoekers in gevaar komt als hun opdrachtgever belang heeft bij een bepaalde uitkomst.

Mensen als Diederik Stapel, zegt Köbben, maken op hun omgeving een briljante indruk. Ze gaan geraffineerd te werk door altijd co-auteurs te vragen voor een artikel. „Die co-auteurs zijn ook niet zuiver op de graat, want die hebben uit gemakzucht de data blijkbaar nooit gecontroleerd.” Of dat bij Stapel ook is gebeurd, weet Köbben niet.

In het destijds geruchtmakende boek Betrayers of the Truth uit 1982 van William Broad en Nicholas Wade, twee Amerikaanse wetenschapsjournalisten, staan talloze voorbeelden van onderzoekers die de feiten verdraaiden of verzonnen als hun dat beter uitkwam – ook uit het verre verleden. Galileo Galilei, de Italiaanse natuurkundige, deed experimenten waarvan de resultaten nooit gereproduceerd konden worden door andere natuurkundigen. Gregor Mendel, de Oostenrijkse monnik die de basis legde voor de genetica, publiceerde artikelen over de overerving van eigenschappen van erwten waarin de statistische onderbouwing te mooi was om waar te zijn.

Broad en Wade schreven ook over een zaak die de wetenschappelijke wereld op dat moment versteld liet staan. De jonge en briljante cardioloog John Roland Darsee schreef als medewerker aan de Harvard Medical School in twee jaar tijd bijna honderd artikelen, onvoorstelbaar veel. Hij bleek de data grotendeels zelf te hebben verzonnen. Nee, nee, het is maar één keer gebeurd, zei hij toen zijn bedrog werd ontdekt. Zijn baas, de beroemde cardioloog Eugene Braunwald, geloofde hem en John Darsee mocht in zijn laboratorium blijven werken – totdat hij definitief ontmaskerd werd.

Onderzoekers streven altijd twee doelen na, zeggen Broad en Wade. Ze willen de wereld begrijpen en ze willen erkenning. En ja, dat gaat wel eens mis. Ze kunnen feiten gaan verdraaien of verzinnen omdat ze overtuigd zijn van hun gelijk. Maar soms, zeggen Broad en Wade, hébben ze ook gelijk. De natuurkundige Isaac Newton paste de feiten aan om zijn theorie van de zwaartekracht te bewijzen.

We wíllen soms ook bedrogen worden, zegt Hjalmar van Marle. Genoeg mensen die graag horen dat vleeseters hufters zijn als dat in hun wereldbeeld past. Er is ook, zegt Van Marle, een grote behoefte om onderzoekers op het schild te heffen. Hun roem straalt af op iedereen die met hen samenwerkt. Ook lekker: die onderzoekers een flinke trap na geven als ze eenmaal gevallen zijn. Zo smoren mensen hun schaamte over het feit dat ze de bedrieger zo lang geloofd hebben.

Diederik Stapel had beter romancier kunnen worden en een voorbeeld kunnen nemen aan de Duitse schrijver Thomas Mann. Die had iets te verbergen – zijn homoseksualiteit – en trouwde met de steenrijke Katia Springsheim. Zijn personages zijn opmerkelijk vaak leugenaars, met als grootste Felix Krull, een Hochstapler die doet alsof hij een markies is. Wat een pech: als een echte markies een moord pleegt, krijgt Krull de schuld.

    • Jannetje Koelewijn
    • Karel Berkhout