En hij weet ook hoe het níet moet

Het NOC*NSF had oud-kampioenen gevraagd de huidige generatie olympische sporters advies te geven.

Pieter van den Hoogenband deed ook zijn verhaal.

From left: Filippo Magnini of Italy and Pieter van den Hoogenband of the Netherlands swim in the men's 200m freestyle heat at the European Swimming Championships in Budapest, Hungary, Tuesday, Aug. 1, 2006. (AP Photo/Patrick B. Kraemer) ** EDITORIAL USE ONLY ** AP

„Moet je dit zien”, zegt Pieter van de Hoogenband als hij uit een enveloppe met persoonlijke spullen trots zijn zwemdiploma A tevoorschijn haalt. „Zo is het ook bij mij begonnen.” En dan lachend: „Het is mijn enige zwemdiploma.”

Toen Van den Hoogenband als vijfjarig jongetje zijn eerste kleine zwemsucces behaalde kon hij niet vermoeden dat hij zeventien jaar later tot olympisch kampioen zou worden gehuldigd. De weg ernaartoe was allerminst geplaveid, vertelde hij de huidige generatie olympische sporters in het DeLaMar Theater tijdens de eerste teambijeenkomst van sportkoepel NOC*NSF ter voorbereiding op de Olympische Spelen in Londen.

Van den Hoogenband, die met oud-kampioenen als judoka Mark Huizinga, wielrenster Leontien van Moorsel, atlete Ellen van Langen, volleyballer Bas van de Goor, hockeyster Minke Booij en bokser Arnold Vanderlijde was gevraagd ervaringen uit te wisselen, had zijn verhaal opgehangen aan dat zwemdiploma. Als metafoor gebruikte hij het gat onder water, het befaamde eerste obstakel op weg naar het diploma. Daar begint het presteren, meent de drievoudige olympisch kampioen. „Want iedereen moet door dat gat, hoe dan ook.”

Het gros van de gediplomeerde zwemmers wordt nooit uitgezonden naar de Spelen. Maar voor de kleine groep die wel zover komt, had Van den Hoogenband een aantal behartenswaardige adviezen. De belangrijkste: het gaat niet om kwalificeren, maar om presteren. „Alle randzaken rond de Spelen zijn mooi, maar je krijgt vaak maar één kans. En die moet je pakken.” Een andere aanbeveling van de meester zelf: maak keuzes, werk planmatig en laat je niet afleiden door bijzaken. „Bij alles wat op mijn pad kwam vroeg ik me af: ga ik hier harder van zwemmen, ja of nee? Bij de huidige generatie merk ik sterk de worsteling met studie of werk. Natuurlijk is leven van het stipendium op zeventig procent van het minimumloon geen vetpot. Zeker niet als je 26 jaar bent, een leuke vriendin hebt, een kind wilt en woonruimte nodig hebt. Maar ook daarin moet je keuzes maken en de consequenties accepteren. Want de tijd dat je kunt presteren komt nooit terug.”

Van den Hoogenband kwam op tijd tot bezinning. Bij de Olympische Spelen van 1996 in Atlanta greep hij met de vierde plaats op zowel de 100 als 200 meter vrije slag net naast de medailles. „Met de kennis van nu had ik twee plakken gewonnen. Wat ik toen deed sloeg nergens op. Ik had niet de goede beenslag en mijn races waren slecht ingedeeld.”

Maar wat wil je van een sporter die zichzelf destijds „een zware mafkees” vond. Van den Hoogenband: „De term lifestylesporter was bij uitstek op mij van toepassing. Ik trainde hard, maar feestte net zo hard. Ook in Atlanta na mijn wedstrijden. De volleyballers haatten mij. Zij hadden een missie: de gouden medaille. En als ik terugkwam van een avond stappen gingen de volleyballers alweer naar de training. Ik was toen een waardeloze sporter, echt wáárdeloos.”

Het negatieve hoogtepunt was volgens Van den Hoogenband de dag waarop de volleyballers hun gouden medaille wonnen. Hij had zich verslapen na een nacht doorhalen met zijn trainer Jacco Verhaeren en was te laat om de finale bij te wonen. „Ik kon mezelf wel voor de kop slaan, want ik moest in het olympisch dorp naar de tv kijken. Als ik zo goed ben in de drankvoorziening moet ik me daarmee maar onderscheiden, heb ik gedacht. Waarna ik de volleyballers heb opgewacht met een kliko vol ijskoud bier.” Lachend: „Dat vonden ze bijna nog gaver dan de gouden medaille.”

De ommekeer bij Van den Hoogenband kwam zo’n jaar na ‘Atlanta’. Maar pas nadat hij uit de valkuil voor topsporters was gestapt. „Ik kreeg vaak te horen dat ik gek was om ’s ochtends om vijf uur op te staan en met een ballenknijper aan elke dag in het zwembad te springen. Bovendien stonk ik naar chloor. Dat waren zo de standaardgrappen. Ik trok me dat aan, ging uit, dronk veel bier en at slecht. Het ging helemaal mis. Tot er een moment kwam waarop ik dacht: wat maakt het uit dat ik anders ben. Ik ben mijn leven vervolgens gaan organiseren. Maar joh, voor ik die tien kilo aan extra gewicht kwijt was en eindelijk weer in vorm raakte, dat heeft een jaartje geduurd. Het echte besef kwam pas bij de eerstvolgende EK in Sevilla. Ik bereikte niet eens de finale van de 100 meter vrij, terwijl ik in Atlanta nog de snelste Europeaan was geweest. Vanaf dat moment ben ik gaan opbouwen en heb ik grip op mijn carrière gekregen.”

Van den Hoogenband formeerde een team deskundigen en volgde vanaf dat moment zijn eigen koers. Natuurlijk botste hij vaak met het bevoegde gezag, maar hij is desondanks nooit van zijn lijn afgeweken. Hoeveel moeite dat kost, zag hij onlangs bij de Nederlandse turners, van wie zich onlangs bij de WK niemand voor ‘Londen’ kwalificeerde. „Hoewel ik niet in die sport thuis ben, denk ik dat ze elkaar het succes niet gunden. En door het vele geneuzel overheersten bijzaken de hoofdzaken. De turners hebben een grote kans gemist.”

Buiten de turners is Van den Hoogenband tevreden over het olympische niveau van de Nederlandse sporters. „Ik vind dat we er goed voorstaan. Als ik naar mijn eigen sport kijk, zie ik bij de vrouwen een estafetteploeg die keer op keer medailles wint, Sharon van Rouwendaal die bij de WK brons wint op een olympische afstand en bij de mannen Sebastiaan Verschuren en Joeri Verlinden die eraan komen. Ik denk dat Nederland met een mooie score uit Londen terugkeert.”

    • Henk Stouwdam