Dik doen over bijna niks?

Een jaar na zijn overlijden is met De tijd zelf het nieuwe boek verschenen van Harry Mulisch. Als je fan bent van deze grote Nederlandse auteur kun je weer heerlijk onderdompelen in diens herkenbare proza. Totdat er iets vreemds gebeurt.

Halverwege het essay waarin Arnold Heumakers De tijd zelf knap verbindt met het oeuvre van Harry Mulisch, komt het hoge woord eruit: echec.

Tot dat moment zit je de eerste postume publicatie van de vorig jaar gestorven Mulisch met bevreemding te lezen. De tijd zelf is onmiskenbaar Mulisch, beginnend met de gevoelvolle opdracht aan Tonio, de vorig jaar vlak bij Mulisch’ huis verongelukte zoon van Adri van der Heijden en Mirjam Rotenstreich, ‘een groet van de doden aan de doden’ en de sterke beginzin (‘Mijn hoofd – schrijft hij – loopt om’).

Daarop volgen observaties over droom en werkelijkheid, wat de hoeveelheid lidwoorden over een taal zegt en de planning van een filosofisch twistgesprek over het bestaan van het heden. Dat moet worden gevoerd in Greenwich, met één gesprekspartner op het oostelijk halfrond, de ander op het westelijk en de gespreksleider in het midden.

Een en ander loopt in het honderd omdat de hoofdpersoon, Melchior Post, ’s nachts zijn wekker heeft omgestoten, waarbij het apparaat een kwartslag is gedraaid en zo een andere tijd lijkt aan te geven; een gat in de tijd. Voeg daarbij het vulkaaneiland Lanzarote, een geestige verwijzing naar De pupil en een mysterieuze moederfiguur en de fan laat zich soepel meevoeren een nieuwe Mulisch in.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 28 oktober 2011, pagina 10 - 11. U kunt het hele artikel hier lezen.

    • Arjen Fortuin