De erfzonde van de linkse kerk

Het „Amsterdamse wereldje van kritische intellectuelen” spon „een kritisch mediaweb”, „een web met talloze vertakkingen en enkele knooppunten” van journalisten en kunstenaars, die „elkaar kenden, dezelfde kroegen bezochten, dezelfde vrouwen (of mannen) bevreeën, dezelfde boeken en stukken lazen, dezelfde woorden gebruikten en dezelfde mensen bewonderden c.q. verafschuwden”. Dit „kritisch mediaweb” van „de spraakmakende gemeenschap” beschikte over een onevenredige en buitensporige invloed, „met ontelbare verbindingen tussen weekbladen, kranten, televisie-, en radiorubrieken, universiteiten én, niet te vergeten, politiek”.

Wie denkt hier de beschrijving aan te treffen van wat als ‘linkse kerk’ of ‘schijn-élite van valse munters’ dient te worden bestreden, vergist zich. Dit gaat over ‘het kritisch mediaweb’ dat zich vormde in de jaren zestig en zeventig en dat zijn „sterke, zo niet bepalende invloed” aanwendde om een omslag te bewerkstelligen in de beeldvorming van en het denken over de Tweede Wereldoorlog. Het was gewoon ... een mediacomplot.

Historicus Chris van der Heijden, van wie de hierboven geciteerde kwalificaties afkomstig zijn, zoekt een verklaring voor het feit dat wat hij „de oorlogsgeneratie” noemt (degenen die in de oorlog te jong en in de jaren zestig te oud waren om ‘mee te doen’) een moreel ijkpunt kon maken van de Tweede Wereldoorlog, de holocaust en het antifascisme.

Typische representanten van deze ‘oorlogsgeneratie’ zijn de in 1927 geboren auteurs Henk Hofland, Jan Blokker en Harry Mulisch, die „te pas en te onpas” de oorlog erbij haalde. De kern van het proefschrift van Van der Heijden, Dat nooit meer (een variant op het motto van het Auschwitzcomité, ‘Dat nooit weer!’) is dat het normatieve denken over de oorlog een constructie was uit de jaren zestig. Het was een bekokstoofd verhaal van „gelijkgestemde figuren” in de journalistiek (in het bijzonder Vrij Nederland, de VPRO en De Gids). ,,Helaas is het onmogelijk een dergelijke stelling te bewijzen”, verzucht de auteur. Een „meer impressionistische aanpak is daarom onvermijdelijk”. Volgen lange namenlijsten.

Het brandpunt van de spraakmakende gemeenschap was het grachtenpand van een dichter en voormalig gevangene van het concentratiekamp Dachau, Ed Hoornik, de „salon van de oorlogsgeneratie”, met „rond de stoel van de meester” figuren als Boebie Brugsma, Han Lammers, Hein Donner, Peter Schat, Adriaan Morriën, Bert Voeten, Harry Mulisch, Liesbeth List, Marga Minco, Edo Spier, Cees Nooteboom en Mies Bouhuys. „Hoorniks centrale positie in dit Amsterdamse wereldje van kritische intellectuelen werd versterkt doordat twee van zijn dochters getrouwd waren met op dat moment jonge maar spoedig spraakmakende literatoren (K. Schippers en J. Bernlef).”

De meningsvorming en beeldvorming als samenzwering van een culturele elite – wat kan de wereld toch eenvoudig in elkaar zitten, vooral als bewijs niet voorhanden is, wat voor een wetenschappelijk proefschrift merkwaardig mag heten.

Maar waarom dit misprijzen? Waaraan hebben de genoemden en vele anderen, zoals redacteuren Jan Rogier, Martin van Amerongen en Igor Cornelissen van Vrij Nederland, zich in de ogen van Van der Heijden bezondigd? Zij hebben in de jaren zestig, terwijl de voorgaande periode in het teken stond van vergeten, restauratie, relativeren en de rehabilitatie van hele of halve collaborateurs, een morele gevoeligheid voor de oorlog vermengd met actuele kwesties rond mensenrechten, vervolging van oorlogsmisdadigers en streven naar een opener en democratischer samenleving: de erfzonde van de linkse kerk.

Het is uiteraard iemands goed recht om daar misprijzend over te denken, maar de ingehouden woede die uit het requisitoir van Van der Heijden tegen de ‘oorlogsgeneratie’ en haar vermeende overmacht in de media spreekt, ook al was De Telegraaf allang weer de grootste krant van Nederland, getuigt niet van wetenschappelijke onthechting.

Behalve Hoornik had de ‘oorlogsgeneratie’ volgens Van der Heijden nog andere voorlopers: „figuren als Anton Constandse, J.B. Charles, Henk van Randwijk, Herman Milikowski, W.F. Wertheim en Jan Buskes.” „Zij waren de drammers van de jaren vijftig maar de inspiratoren van de jaren zestig en zeventig.”

Nu heb ik toevallig de socioloog Herman Milikowski (1909-1989) nog gekend. Hij was allerminst een drammer, maar een geleerd en bescheiden mens, die de Duitse concentratiekampen had overleefd. Zijn vrouw en het grootste deel van zijn familie kwamen niet uit Auschwitz terug. In 1961 promoveerde hij op het proefschrift Lof der onaangepastheid, over de oorzaken van onmaatschappelijk gedrag.

In de sfeer van de jaren vijftig was dit later in brede kring bewonderde en tienmaal herdrukte proefschrift twee jaar tegengehouden. Omdat het over onaangepast gedrag ging? Omdat hij politiek onbetrouwbaar werd geacht, toen hij was hertrouwd met een communistische verzetsstrijdster van wie de eerste man is gefusilleerd door de Gestapo?

Mensen als Milikowski hadden in de Koude Oorlog nauwelijks ruimte een mening te uiten, laat staan te drammen, zij gaven wel een voorbeeld van non-conformisme. Waren zulke persoonlijkheden niet verkieslijker als moreel kompas dan de door Van der Heijden in zijn even pretentieuze als tendentieuze boek omarmde KVP-politici als Kortenhorst en De Quay, die tonnen boter op het hoofd hadden?

P.S.: In mijn vorige column (over de bestuursmoraal van VVD’ers) maakte ik gewag van „het zegenrijke werk en de declaraties” van Geert Dales als bestuursvoorzitter van hogeschool Inholland. Het gedoe over declaraties betrof echter zijn voorganger. Zelf heeft hij niets gedeclareerd. Excuses.

    • Elsbeth Etty