'Alles begint bij ijdelheid'

De grootste wetenschapsfraudeur uit de geschiedenis is Diederik Stapel niet.

Stapel fingeerde de data voor minimaal 30 artikelen – iets meer dan de Duitse natuurkundige Jan-Hendrik Schön, die begin deze eeuw met zijn gefingeerde resultaten in de nanotechnologie op weg leek naar de Nobelprijs. Twee Duitse hoogleraren in de medicijnen kwamen samen tot een kleine 100 artikelen, maar de kroon spant de Amerikaanse hoogleraar John Darsee die in de jaren tachtig de data voor 194 medische artikelen fabriceerde.

De vraag is: wat drijft deze wetenschappers, waarom doen ze het?

De grote fraudeurs in de wetenschap zijn vóór alles hoogmoedig. Dat geldt evenzeer voor de Tilburgse hoogleraar Stapel als voor zijn roemruchte voorgangers. „Het zijn mensen die lijden aan wat ik het ‘Ik-weet-het-toch-wel-syndroom’ noem’’, zegt André Köbben, emeritus-hoogleraar en vooraanstaand publicist over wetenschappelijke fraude.

„Het zijn allemaal buitengewoon ijdele mensen, die op hun omgeving een briljante indruk maken”, zegt Köbben. „Zij kijken neer op wetenschappelijk werk. ‘Ik heb dat onderzoek helemaal niet nodig, ik weet zo ook wel hoe het zit’, is hun hele houding.” Ze gaan daarbij geraffineerd te werk door consequent co-auteurs te vragen voor een artikel: „Die co-auteurs zijn dan ook niet helemaal zuiver op de graat, want die hebben uit gemakzucht de data blijkbaar nooit gecontroleerd. Of dat bij Stapel ook is gebeurd, dat weet ik niet.” Veel fraudeurs zijn sociaal heel vaardig.

Het ergert Köbben dan ook dat de commissie-Levelt de fraude van Stapel deels toeschrijft aan het zeer competitieve klimaat in de wetenschap, waarin onderzoekers steeds maar moeten publiceren. „De cultuur van ‘publish or perish’ is inderdaad zwaar voor gewetensvolle wetenschappers, die de tijd willen nemen voor zorgvuldig onderzoek. Maar de grote fraudeurs hebben daar nu juist geen last van, die schrijven juist heel erg makkelijk.”

Sociale vaardigheid verklaart volgens Köbben ook de comeback van René Diekstra, die ooit als hoogleraar psychologie aan de Leidse universiteit moest vertrekken. Hij had in een boek enkele passages zonder duidelijke bronvermelding overgenomen uit een Amerikaans boek. „Diekstra is weer helemaal in beeld”, zegt Köbben, „hij is een populaire man en bij veel mensen heerst toch het idee: ach, plagiaat is niet zo erg.”

Die relativerende houding is volgens Köbben een vorm van „zedenverwildering in de wetenschap”. Daartoe hoort volgens hem ook de benoeming van de neurofysiologe Margriet Sitskoorn tot hoogleraar aan de Universiteit Tilburg in 2007, nadat ze was betrapt op het zonder bronvermelding overnemen van andermans teksten.

„Als hoogleraar Sitskoorn een student betrapt op overschrijven, kan die zeggen: ‘nou mevrouw, we zitten in hetzelfde schuitje’. Dat is slecht voor je gezag.”