799.283.000.000 euro in kas maar toch bankroet?

Wat waren zij trots, minister Aart-Jan de Geus (CDA) en de Tweede Kamerleden die eind 2006 de 54 jaar oude Pensioen- en Spaarfondsenwet compleet hadden vernieuwd. Dit was een Pensioenwet met ballen, die net als zijn voorganger ook wel een halve eeuw mee zou kunnen.

Helaas. De wet bevocht vooral de gevolgen van de vorige beurshausse, zoals premieverlagingen en terugstortingen van pensioengeld aan werkgevers.

Toen kwamen de kredietcrisis (2008), de pensioencrisis (2009) en de eurocrisis (2010-heden). Inmiddels bereidt de pensioenwereld ouderen en jongeren voor op het ongehoorde: verlaging van uw pensioen. En nu komt minister Henk Kamp (Sociale Zaken; VVD) met het wetsvoorstel Versterking bestuur pensioenfondsen. Het wetsvoorstel is voor spoedadvies naar de Raad van State gestuurd.

Eerst een getalletje. Volgens de laatste officiële cijfers (per 30 juni) zit in de pensioenkas nog 799.283.000.000 euro. Bankroet zijn we niet.

Kamps wetsontwerp wil de besturen van de pensioenfondsen verder professionaliseren, een doel dat zijn voorgangers ook hadden. In 2006 maakten Kamer en kabinet het bestuur en het toezicht op de pensioenfondsen hoofdpijnverwekkend ingewikkeld. Dat wordt deels ontmanteld. Pure winst.

Maar wat komt er voor in de plaats? En is er iets geleerd van de mislukking van 2006?

Pensioenen zijn voor de meeste Nederlanders van essentieel belang, maar hun belangstelling is gering. Daarom is het goed dat Kamp deskundigen van buiten de knusse kring van werkgevers en vakbonden wil toelaten in bestuur en toezicht. Maar wie gaan hen de eerste keer benoemen? En wie gaan hen herbenoemen? En hoeveel invloed krijgen zij echt?

Ook de pensioenwereld ontkomt niet aan moderne opvattingen over bestuur en onafhankelijk toezicht: deuren open. Zonder externe bestuurders en/of toezichthouders is er gewoon te weinig kennis en ervaring beschikbaar. Dat moet en passant de macht terugdringen van vakbonden en werkgevers in de leiding van de grote pensioenfondsen die voor complete bedrijfstakken werken, zoals ABP, Zorg & Welzijn en de – twee zwakke – metaalfondsen.

In de plannen biedt het kabinet de pensioenfondsen nog steeds meerdere keuzes hoe zij hun bestuur en toezicht mogen organiseren. Keuzevrijheid is in zijn algemeen een goed idee, maar Kamp legt de pensioenbazen te veel in de watten. De pensioenwereld heeft dat in het verleden iets te gretig gebruikt als muur tegen hervormingen. De weerstand tegen bijvoorbeeld gepensioneerden in het bestuur is bij grote fondsen, zoals het ABP, en bij de vakbonden nog steeds manifest. Grote ondernemingen met minder geld hebben niet zoveel eigen beslissingsruimte over hun bestuur en toezicht als de pensioenwereld krijgt. Een kilo minder opties was beter geweest.

Eenduidige regels maken de pensioenfondsen onderling beter vergelijkbaar en dragen bij aan prudent gedrag. Hoe minder ‘wij-zijn-zo-bijzonder-en-daarom-doen-wij-het-anders-dan-de-rest’ keuzemogelijkheden waarachter pensioenfondsen zich kunnen verschuilen, hoe beter. Pensioenfondsen worden steeds duidelijker reguliere financiële instellingen, maar wel met een specifieke klantenkring en een specifiek doel.

De meest opmerkelijke reactie in de internetconsultatie over het wetsontwerp is daarom die van De Nederlandsche Bank die de financiële sector én de pensioenwereld controleert. Zij hamert op steviger normen voor deskundigheid op alle niveaus bij pensioenfondsen. Saillanter is dat zij, als scheidsrechter en spin achter de schermen, in het openbaar reageert. Pensioen is te belangrijk om over te laten aan de gebruikelijke ingewijden bij bonden en bazen.

menno tamminga