Verslag van vruchteloos schrijven

Het laatste boek van Harry Mulisch telt 22 pagina’s.

Gelukkig zijn er dagboek- fragmenten bijgevoegd, en zij tonen een falende Mulisch. Zo kenden we hem nog niet.

Halverwege het essay waarin Arnold Heumakers De tijd zelf knap verbindt met het oeuvre van Harry Mulisch, komt het hoge woord eruit: echec.

Tot dat moment zit je de eerste postume publicatie van de vorig jaar gestorven Mulisch met bevreemding te lezen. De tijd zelf is onmiskenbaar Mulisch, beginnend met de gevoelvolle opdracht aan Tonio, de vorig jaar vlak bij Mulisch’ huis verongelukte zoon van Adri van der Heijden en Mirjam Rotenstreich, ‘een groet van de doden aan de doden’ en de sterke beginzin (‘Mijn hoofd – schrijft hij – loopt om’).

Daarop volgen observaties over droom en werkelijkheid, wat de hoeveelheid lidwoorden over een taal zegt en de planning van een filosofisch twistgesprek over het bestaan van het heden. Dat moet worden gevoerd in Greenwich, met één gesprekspartner op het oostelijk halfrond, de ander op het westelijk en de gespreksleider in het midden.

Een en ander loopt in het honderd omdat de hoofdpersoon, Melchior Post, ’s nachts zijn wekker heeft omgestoten, waarbij het apparaat een kwartslag is gedraaid en zo een andere tijd lijkt aan te geven; een gat in de tijd. Voeg daarbij het vulkaaneiland Lanzarote, een geestige verwijzing naar De pupil en een mysterieuze moederfiguur en de fan laat zich soepel meevoeren in een nieuwe Mulisch.

En dan? Na 22 pagina’s tekst, is het ineens voorbij. Je kunt er makkelijk cynisch over doen: zeggen dat de uitgeverij een kliekje tot een boekje wilde oppompen, maar zo makkelijk zijn we echter niet van Mulisch af. Dat komt door de veertig pagina’s dagboekfragmenten die in de uitgave staan. De formuleringen zijn even summier als de vorderingen die worden beschreven: ‘Een nieuwe eerste alinea van het LO geschreven’ – het boek heette toen nog Het literaire offer. Een dag later: ‘Iets aan het LO’. Dan: ‘Nagedacht over het LO’. Het is in de zomer van 2001. In januari 2002: ‘Het LO weer op het scherm gezet. Een paar zinnen geschreven.’

Zo volgen de vermeldingen elkaar op. De dagboekfragmenten lopen tot in 2003. In januari schrijft Mulisch: ‘Het materiaal is groot en divers; als ik er een structuur in ontdek, is het halve werk misschien gedaan.’ Op 30 maart volgt dan ineens het eureka-moment: ‘Eindelijk, ik heb het! Het overkoepelende idee voor de TZ: de zich openende horizon, uit 1971, tweeëndertig jaar geleden, zo oud als Anna. Pythagoras!’ Helaas, een dag later noteert de schrijver: ‘Verder nagedacht over het vorige. Vandaag weer iets minder zeker van mijn zaak.’

De falende Mulisch – die kenden we nog niet. Dat is uiteindelijk de waarde van De tijd zelf: het neemt je mee naar een worstelende schrijver, die niet wil versagen, maar de kracht (het talent, zou Mulisch zelf misschien zeggen) mist om dit laatste project tot een goed einde te brengen. Hij legt zich erbij neer dat de slotzin van Siegfried (2001) toch profetisch blijkt te zijn: ‘Daarna niets meer.’ En dat is bijzonder, want meestal blijven de blindgangers van schrijvers verborgen, en al helemaal de verslagen van hun eigen vruchteloosheid.

Naar de oorzaak van de mislukking is het gissen. Maar in wezen moet je De tijd zelf omdraaien. Wat nu is uitgegeven als een romanfragment met dagboeken als illustratie, is de moeite waard in omgekeerde hiërarchie: als delen van een schrijversdagboek, waarbij de romanfragmenten dienen als illustratie van de worsteling die uit het dagboek oprijst. Als Mulisch dit dagboek jarenlang heeft bijgehouden, dan hebben we iets om naar uit te kijken.

Harry Mulisch: De tijd zelf. Drieluik. Bezorgd door Arnold Heumakers en Marita Mathijsen, in samenwerking met Kitty Saal. De Bezige Bij, 160 blz. € 17,90