Sine nobilitate, ofwel 'zonder adel'

‘Ik mag mijzelf met recht een snob noemen’, stelt de in Parijs wonende schrijfster Sophie van der Stap.

Alleen is volgens haar tegenwoordig het verschil tussen een aristocraat en een snob nog maar moeilijk te zien.

Als ik goed kijk, zie ik vanaf de Place de la Concorde, met mijn rug naar de rive gauche, rechts van het Hotel Crillon, mensen drinken en eten. Als ik even later naar binnen loop en aan tafel ga, zie ik wat voor mensen. Het zijn mensen in glad gestoomde pakken, zijden dramatische jurken, sieraden die aan vroeger doen denken en kapsels waarvan ik weet dat ze er niet mee opgestaan zijn. Ik stel me zo voor dat ze over politiek praten, misschien ook over een concert dat ze laatst bezocht hebben en natuurlijk over de belangrijke en belachelijke afwezigen.

Ik ben in de Club d’Automobile, een club waar je bij binnenkomst met je naam wordt aangesproken, waar de mensen hun grote glazen onderaan bij het pootje vast houden en niet praten maar fluisteren.

Zodra je van een beetje theater houdt en daar graag voor omloopt, ben je op Hollandse bodem al gauw een snob: het favoriete doelwit van de calvinistische Hollander die leunend tegen de bar het simpele voorbeeld geeft met een bitterbal en een biertje, op een toch al goed gevulde maag van een boterham met kaas: misschien wel de voornaamste reden waarom ik uit Nederland ben weggegaan. Ik mag mijzelf met recht een snob noemen. Tenminste, ik heb het woord zo vaak naar mijn hoofd geslingerd gekregen dat ik het maar ben geloven. En mij hoor je niet tegenstribbelen. Een beetje snob eet goed, heeft de romantiek hoog zitten en leest net genoeg om met een goede conversatie op de proppen te komen. Prima titel dus, snob, er rest me nu nog maar één ding: waar komt mijn titel eigenlijk vandaan?

Een beetje Wikipedia later en ik weet dat snob van het Latijnse sine nobilitate komt, ook wel ‘zonder adel’. Het woord is dus samen met de bourgeoisie, de nieuwe rijken, in het leven geroepen. Zo moest de niet-adel in de Romeinse tijd op hun papieren de afkorting snob schrijven, een beetje zoals een Jood in de oorlog een Jodenster op de kraag van zijn jas moest pinnen. Veel later, in de achttiende eeuw, werden de zonen van rijke industriëlen voor snobs uitgemaakt, op Engelse kostscholen als Eton: ze hadden dan wel het geld om van dit exclusieve onderwijs te genieten, maar niet de titel en de daarmee verworven sociale gedragscodes van hun aristocratische medeleerlingen. Alleen de titel was niet te koop, maar nu vandaag de titel niet meer is wat het geweest is, is een snob ook niet meer wat het geweest is.

Na twee eeuwen afkijken is het verschil tussen aristocraat en snob soms nog maar moeilijk aan te wijzen. Dat wil zeggen, de oude snob heeft zolang afgekeken bij zijn aristocratische voorbeeld dat je hem bijna niet meer met de nieuwe snob (te bruin, te blond, te P.C. Hooftstraat) zou mogen verwarren. Zo herken je de oude snob aan zijn oude automobiel, zijn elegante kleding en aan zijn tafelmanieren en herken je de nieuwe snob aan zijn Hummer, ordinaire kleding en vulgaire tafelmanieren. Gelukkig klampt Parijs zich op alle manieren vast aan vroeger en lopen er meer oude snobs dan nieuwe.

Rug recht, denk ik, als het eten wordt geserveerd. En nou niet aan het broodje van de buurman knabbelen. Was de mijne nou links of rechts? Ik besluit het antwoord af te wachten. Links dus. Goed zo, kleine hapjes en niet staren naar de overgebleven jus die als een tantaluskwelling op je bord ligt te wachten om door je brood opgesopt te worden. Hè, doe nou niet, trek nou geen aandacht. Laat die meneer toch uitpraten. Ja, ook als het niet waar is. Tegenspreken doe je niet. Moet dat nou? Nu naar het toilet? Nee, dat doe je later maar. Als iedereen is uitgegeten. Blijf nou gewoon even zitten.

Goh, niet alles uit het leven van een snob is leuk. Volgende week al barleunend ademhalen in Amsterdam – ik kan niet wachten – maar dan wel op zijn snobs: niet met bitterballen, maar met oesters.

Sophie van der Stap (28) schrijft voor nrc.next vanuit Parijs over het theater van de mensen in een grote stad.