Op een ambtenaar moet je kunnen vertrouwen

Wacht. Ik doe vijftien seconden helemaal niets, totdat u kalm bent geworden, rustig op uw stoel zit, uw opwinding vergeet en ophoudt met blaffen. Ik straal kalme en assertieve energie uit. U voelt hoe ik de leiding neem, u wordt kalm en onderdanig. Als het goed is, doet u de rest van deze column precies wat ik zeg dat u moet doen.

Als u niet weet waarover ik het heb, kijkt u te weinig televisie. Veel televisiekanalen worden tegenwoordig gedomineerd door hondenfluisteraar Cesar Millan. Hij leert je hoe je honden in een calm, submissive state brengt – niet met tucht, niet met strenge discipline en niet door ze te dwingen in een rigide regime van regels. Je maakt honden kalm door zelf kalm te zijn. Wees duidelijk en betrouwbaar. Elke vorm van paniek, spanning of wantrouwen slaat onmiddellijk over op het roedel.

Er is onrust in de wereld. Ieder woelt hier om verandering, zegt een oud gezang, en betreurt ze dag aan dag. In Nederland woelt het om een jonge, Angolese asielzoeker, om weigerambtenaren, om Occupy Nederland, om leiderschapscrises in politieke partijen en om economische zekerheid. Alles blaft en springt en bijt. Alles wil veranderen en betreurt wat er verandert. Je zou willen dat ergens een instantie op een betrouwbare manier rust zou uitstralen.

Niet dat ik de mensen vergelijk met honden, of denk dat het volk uiteenvalt in leiders en volgers. Waar het om gaat, is dat we aan sommige instanties gezag verlenen en dat we van die instanties op aan moeten kunnen. In de afgelopen week hoorde ik twee keer iemand beweren dat we moraal nodig hebben om het populisme de kop in te drukken. Beide keren leek het me onzin. Het populisme wil juist moraal. Alle onrust van het moment, ook de ongetemde onrust aan de onderkant van de samenleving, gaat gepaard met een roep om regels waaraan iedereen zich houdt, allereerst degenen die de leiding hebben.

Rechtsgelijkheid. Rechtszekerheid. Dat is waarom het in de wereld woelt. Direct onder de oppervlakte van de onrust zie je het verlangen naar rust en recht – geen links verlangen naar gelijke welvaart, geen rechts verlangen naar economische vrijheid, maar een ongedefinieerd, intuïtief streven naar eerlijkheid, billijkheid en redelijkheid. Wat voor de één geldt, geldt ook voor de ander.

Als een jonge asielzoeker dreigt te worden uitgezet, mopperen zijn plaatsgenoten vooral dat de overheid zich nooit houdt aan haar eigen regels. Als Zuid-Europese landen steun behoeven, luidt de voornaamste klacht dat anderen zich wel en zij zich niet aan de criteria hebben gehouden. Als falende bestuurders uit de staatskas bonussen krijgen, ontstaat er ergernis omdat voor sommigen kennelijk een ander regime heerst dan voor anderen.

Hier, op dit terrein van de rechtsgelijkheid, deed zich deze dagen een vreemde discussie voor. Als het in onrustige tijden belangrijk is dat wetten eerlijk worden toegepast, dan was het geen gekke gedachte van het CDA om de zaak van de jonge Angolese asielzoeker Mauro Manuel niet individueel te behandelen. Valt de wet in de praktijk tegen, dan moet je de wet veranderen en eventueel voor alle vergelijkbare gevallen eenzelfde tussenoplossing vinden. Wat je niet wilt, is de wet van geval tot geval anders toepassen – al naar gelang de wind waait.

Het rare is dat het CDA deze verstandige zienswijze ogenblikkelijk liet varen zodra het ging om de weigerambtenaar. Hier geldt de wet kennelijk niet voor de één op dezelfde manier als voor de ander. De ambtenaar, vertegenwoordiger van de overheid, kan naar believen bevolkingsgroepen aanwijzen voor wie hij de wet niet wil uitvoeren. In de kleine gemeente waarin ik woon, werken maar liefst vier weigerambtenaren. Dat wil zeggen dat de wet hier een wankel fenomeen is.

Voer deze wet niet uit, zegt Mauro. Ja, dat moet, het kan niet anders, zegt de overheid. Voer deze wet wel uit, zeggen trouwlustigen. Nee, dat hoeven onze vertegenwoordigers niet te allen tijde te doen, zegt de overheid. Een parlementariër van de SGP legde dit opmerkelijke standpunt nog uit in de krant – koks hoeven immers ook niet alles te koken wat op de kaart staat, zolang de collega’s het maar doen – maar dat was hopelijk een grapje. Je mag althans veronderstellen dat onze parlementariërs het verschil weten tussen een ambtenaar en een kok.

Een beroep op gewetensbezwaar zou misschien nog mogelijk zijn als een ambtenaar zekere handelingen niet wil verrichten of doelen niet ondersteunt, maar op grond van persoonlijke bezwaren bevolkingsgroepen uitsluiten van de wet?

In onrustige tijden is de betrouwbaarheid van de overheid een groot goed. Een wet die voor iedereen geldt, geldt niet minder voor moslims, voor homo’s of voor mensen die Henk of Ingrid heten. Beginnen we aan deze zekerheid te morrelen, dan tasten we de rechtsstaat aan, schaffen we het recht af en krijgen we het pak honden dat in ons aller borstkas blaft voorlopig niet meer stil.