Nepbloed besmeurde het tramraam

Mensen vragen geregeld aan mij: „Renske, waarom houd jij eigenlijk zo van zombies?” Hierop staar ik bedachtzaam naar buiten, neem nog een trek van mijn pijp en zeg: „Weet je, soms valt liefde gewoon niet uit te leggen.”

Dat is zo. Het is bijna ondoenlijk om op een logische manier te verklaren waarom ik zombies een stuk bekoorlijker vind dan bijvoorbeeld kwaadaardige diepzeeoctopusmonsters. Het heeft iets te maken met het aantrekkelijke apocalyptische karakter van de zombie-uitbraak: er waart een virus rond, de wereld vergaat, er is overal puin, winkels staan in brand en ontsnapte dierentuindieren rennen door roestige speeltuinen. Daarbij is een zombie zelf zo prettig ongecompliceerd: het wil hersenen eten, en zal dat proberen tot het eind. Die simpele volharding, daar hou ik van.

Nu de ondode opmars van de zombie niet meer te ontkennen valt, met de serie The Walking Dead op tv, de film World War Z op komst en de talloze goedverkopende A Zombie Wants To Eat My Kidneys For Lunch – What To Do?-survival gidsen op de markt, lijkt het tijd om deze plotselinge populariteit wat nader te analyseren. Elk monster heeft zijn maatschappelijke betekenis. Zo werden tijdens de Koude Oorlog alienverhalen geliefd: ze symboliseerden de angst voor het annexerende onbekende. De zombiefilm Dawn of the Dead gaf kritiek op de consumptiemaatschappij door de zombies naar een winkelcentrum te laten komen: de enige plek die ze zich nog herinnerden als een belangrijke plaats.

En onderzoekers zeggen dat de zombieliefde van nu een uiting is van onze tijd van crisis: veel jeugdwerkloosheid, geen kans op vooruitgang, een financieel systeem dat zichzelf levend opeet – velen zitten iedere dag thuis, kijken tv, zien geen uitweg, de dag herhaalt zichzelf. Ze leven als een zombie.

Deze zaterdag vond er in Amsterdam een Zombie Walk plaats. Een paar honderd levende lijken wandelden begeleid door muziekwagens, Braziliaanse zombiedansers en een tractor door de stad, iemand droeg een rode fakkel die de oude gevels verlichtte. Hier en daar werd een langsrijdende tram door wat ondoden besprongen, nepbloed besmeurde de ramen waarachter de passagiers lachend toekeken. Ik liep ertussen, in rode feestjurk, met auberginekleurige wallen, groene huid en geronnen bloed op mijn kin. Ik keek naar alle zombies om me heen, de bloederige bruidjes, de jongens met spijkers door hun hoofd, de geschminkte skeletten. En vroeg me af: waren dit mensen die bang zijn voor de wereld? Die zich gevangen voelen, die door de crisis hun leven zien vervallen in een eindeloze afgestompte herhaling, zonder kans op verbetering? Was dit de manier waarop zij zich hierover wilden uiten, als een subcultuur die even de stad overneemt? Oftewel: was dit de fantasy-versie van Occupy Amsterdam?

Misschien niet: deze mensen leken nog iets te gelukkig. Maar ik bedacht dat het een efficiënte volgende stap zou zijn: zombies die het Beursplein bezetten. In plaats van hersens willen ze gerechtigheid. En ze zullen er blijven zitten ook – niemand is vasthoudender dan een zombie die zich ergens in vastbijt. Daar moet je toch van houden?

Renske de Greef