Naar Zandvoort

In een vlaag van overmoed besloten we zondagmorgen naar Zandvoort te gaan. Wat ons dreef, was niet helemaal duidelijk. Misschien had het met het uur winst van de wintertijd te maken, misschien kwam het doordat de buienradar geen buien voorspelde, misschien was het die vage onrust die je kan overvallen bij het vooruitzicht van een saaie uitzending van Buitenhof met weer een paar economen in de hoofdrol.

Om onszelf op te peppen herinnerden we elkaar aan het feit, dat we de nieuwe hoofdentree van het Centraal Station van Amsterdam nog niet gezien hadden. Na zeven jaar eindelijk weer open! Gedeeltelijk natuurlijk – drie van de vijf deuren – want Amsterdam wil nooit de indruk wekken dat het zich overhaast.

Toen we er eenmaal voor stonden, diende zich een lichte teleurstelling aan. Was dit het nou? Wat was er nou precies veranderd? En wat moesten al die grijze platen bij de ingang, bleef dat zo?

In de trein naar Zandvoort openbaarde zich een ernstiger omstandigheid: de hemel was overdekt met een waterige nevel die het zicht danig belemmerde. „In Zandvoort zal het opgeklaard zijn”, zei mijn vrouw. „Ik moet het nog zien”, zei ik, want een columnist houdt altijd met het ergste rekening.

Terecht, zo bleek. De nevel had zich op de boulevard van Zandvoort verdicht tot een vochtig gordijn dat onvermijdbare klamheid verspreidde. Het strand, klein gemaakt door de vloed, nodigde niet uit tot een wandeling. We kozen voor het plaveisel van de boulevard, richting Bloemendaal.

Aan onze rechterhand verrezen kleurloze appartementencomplexen in heel hun rillerige naaktheid. In de zomer, als het zonnetje erop scheen, was het hier nog van een zekere toelaatbare lelijkheid, maar nu drongen gedachten aan woonkazernes in de voormalige DDR zich op. Ik herinnerde me hoe we goede vrienden ernstig afgeraden hadden hier een pied-à-terre te kopen. Gelukkig hadden ze naar ons geluisterd.

Stel je voor: je staat hier op een zondagmorgen voor je raam, acht hoog, de lucht heeft de kleur van vuilniszakken en alles wat je ziet zijn een in nevelen gehulde zee, hongerige meeuwen en plukjes aarzelende wandelaars, onder wie een ouder echtpaar uit Amsterdam. Hoeveel troosteloosheid kan een mens aan? Die vraag kun je in herfstig Zandvoort nooit helemaal uit de weg gaan.

„Maar de lucht is in ieder geval fris”, zei mijn vrouw zo opgewekt mogelijk.

Ik rook vooral Floor. En Floor ruikt nooit fris. Floor is sinds jaar en dag de grootste viswinkel van Zandvoort, bekend van de lijfspreuk: „Geef het door, eet haring van Floor”. Een naam die eindigt met ‘oor’ geeft ideale rijmkansen. Mijn haringkar in Hilversum voerde vroeger de slagzin: „Boor…lekker hoor”. Wandelend over de boulevard in Zandvoort rijmde ik liever: „Niets stinkt zo goor als de vis van Floor.”

Floor heeft langs die boulevard een aantal grote viskarren opgesteld die veel klandizie trekken. Elke kar heeft, als de wind een beetje meewerkt, een geurspoor van minstens honderd meter. Gebakken vis, haring, uitjes, frites, je draagt het als wandelaar met je mee alsof je het zelf aan het eten bent. In Zandvoort ruik je eerst Floor en dan pas de zee.

We liepen door, maar er was weinig te zien. Bijna alle grote strandtenten (‘beachclubs’) waren weg of dicht. Twee bleken te koop, de eigenaren hadden de moed opgegeven. Na zo’n slechte zomer ook nog een winter in Zandvoort, het werd te gortig. Alleen Floor ging door.