'Ik deed wat juist is'

In een hotel in de Gazastrook bivakkeren Palestijnse gevangenen die in ruil voor Gilad Shalit zijn vrijgelaten. Spijt van hun daden hebben ze niet. „Maar ik ben geen liefhebber van geweld.”

Rond het zwembad lopen allerhande Palestijnen. Uit de boxen schallen nationalistische liederen. Watersproeiers spoelen het stof van de bosjes. Overal zijn bewakers.

Het vijfsterrenhotel van Gaza-stad, waar onder normale omstandigheden nooit iemand slaapt, zit opeens bomvol. Niet met toeristen – die laat Israël de Gazastrook niet binnen. De gasten zijn voormalige Palestijnse gevangenen, die Israël twee weken geleden vrijliet in ruil voor de Israëlische militair Gilad Shalit, en hun families.

De Palestijnse fundamentalistische beweging Hamas, die de Gazastrook regeert, sloot deze maand een akkoord met Israël over de vrijlating van 1.027 Palestijnse gedetineerden. Afgesproken is dat zo’n 150 gevangenen, afkomstig van de bezette Westelijke Jordaanoever, naar de Gazastrook worden verbannen.

Zij praten op het terras van het hotel met familie, die via Jordanië en Egypte hierheen is gereisd. Anderen hangen verveeld in de lobby, telefoneren, of kijken met natte ogen uit over zee. Ze buiken uit na een copieus ontbijt met kiwi’s, pruimen en dadels, croissants en bitterkoekjes.

De zware beveiliging is er onder andere voor Mustafa Maslamani. Hij is veroordeeld tot drie keer 99 jaar cel voor de moord op twee Israëliërs in 2001 in de Westelijke Jordaanoever. Maslamani heeft elf jaar van zijn straf uitgezeten. In het luxe hotel slaapt hij op de grond, omdat hij niet kan wennen aan een zacht matras.

Maslamani (47) is lang, mager en kaal. Hij heeft een dun snorretje, spleten tussen al zijn tanden en een pistool aan zijn riem. Hij vreest voor zijn leven omdat de kinderen van Talia en Binyamin Kahane, de ultra-orthodoxe rabbijn en kolonistenleider die hij doodde, een prijs op zijn hoofd hebben gezet.

„Als we hadden geweten dat er kinderen in die auto zaten, hadden we nooit geschoten”, zegt Maslamani nu. Vijf meisjes van het gezin Kahane raakten bij de aanval gewond. Maslamani: „Het was toeval. We schoten vanaf een dak op willekeurige kolonisten. Indertijd werden er veel Palestijnen gedood.”

Spijt heeft Maslamani echter niet. „Ik deed wat juist is. De bezetting is illegaal, de kolonisten confisqueren ons land en moeten niet klagen als wij ons daartegen verzetten. Dit was een normale verzetsdaad. Israël schept een bloeddorstig beeld van ons. Maar ik ben geen liefhebber van geweld. Wij Palestijnen willen gewoon een normaal leven leiden, als iedereen.”

Hij geniet ervan om over het strand van Gaza-stad te lopen. Om weer vrouwen te zien – al laten die hier weinig van zichzelf zien, zo bedekken ze zich, klaagt Maslamani. Ook de veiligheidsmaatregelen en zijn verbanning drukken de pret, zegt hij. „Ik zit in een kooi die Gaza heet.”

De Gazastrook wordt wel een openluchtgevangenis genoemd omdat de grenzen streng worden gecontroleerd door Israël.

Het meest pijnlijk, zegt Maslamani, is dat hij zijn familie niet kan zien. Ze wonen in Tubas in de Westelijke Jordaanoever. Israël laat hen niet de grens met Jordanië overgaan.

De zes kinderen van Maslamani zien hem wel elke dag op de Palestijnse televisie.

Hamas wil zich presenteren als winnaar van de deal met Israël. Dus is voor zwaar veroordeelde gevangenen als Maslamani het propagandakanaal Al-Aqsa opengesteld.

Maslamani heeft alle tijd voor televisie-optredens, want hij hoeft geen baan te zoeken. „De Palestijnse Autoriteit betaalt mijn gevangenissalaris door.”

Hoe lang dat nog duurt? „Zolang de Europese Unie betaalt.” Hij lacht hard. Hij krijgt ook een telefoon en een appartement en een auto.

In de toekomst zal Maslamani zijn strijd tegen de Israëlische bezetting voortzetten, zegt hij. „We gaan door tot de laatste Israëlische militair van ons land is verdwenen.” Hij spreekt niet per se over geweld, zegt hij. „Ook een televisie-optreden is een verzetsdaad.” Dan stapt hij in de bus die hem naar de studio brengt.

Even verderop rijdt een auto over de zandwegen van het vluchtelingenkamp Jabaliya om Mohammed Zakut (48) op te halen. Zijn huis is moeilijk te missen. Buiten hangen felgroene Hamas-vlaggen. Zijn naam staat met verse graffiti op de muur gespoten, naast een mitrailleur.

Met een mes doodde Zakut in 1989 twee Israëlische burgers in Tel Aviv, waar hij werkte als bouwvakarbeider. Hij verwondde twee andere voorbijgangers ernstig. Zakut werd tot levenslang veroordeeld. Hij zat 23 jaar gevangen.

Zakut draagt een glimmend zwart pak voor zijn zoveelste verschijning op het Al-Aqsa-kanaal. Mannen van Hamas halen en brengen hem. Zakut – overtuigd lid van Hamas’ grote rivaal Al-Fatah – laat zich alle aandacht vergenoegd aanleunen.

In huize Zakut staan tientallen plastic stoelen opgestapeld in de woonkamer, voor alle visite die de afgelopen week kwam. Ernaast staan wel een dozijn bloemstukken, met cellofaan eromheen.

„Ik was 23 jaar dood”, aldus Zakut. In de Israëlische gevangenis is hij slecht behandeld, zegt hij. De laatste zeven jaar mocht hij geen bezoek ontvangen. Hij zou opgesloten zijn geweest „in graven onder de grond”. Het is hem niet aan te zien. Hij is blozend en rond.

Hij heeft nooit spijt van gehad van zijn daad, zegt hij. Toch zwoer hij geweld af. „Voortaan leef ik voor mijn familie. Ik moet veel goedmaken. Mijn dochter Nihad verliet ik toen ze twee was.”

Zij heeft nu zelf twee kleintjes.

Zakuts zoon Jihad (23) rookt voor het huis een waterpijp. Hij werd geboren nadat zijn vader was opgepakt. „Ik ben net als hij”, zegt Jihad. „Ook ik was 23 jaar dood. Zo lang kreeg ik geen knuffels van mijn vader.” Dat neemt hij hem niet kwalijk. „Ik heb geleerd een man te zijn, net als hij.”

Gaat Jihad zijn vader achterna en neemt hij ook de wapens op? Hij bloost en stamelt: „Dat is een genante vraag, ander onderwerp alsjeblieft”. Zus Nihad geeft antwoord: „Eén familielid in de gevangenis was wel genoeg”.