Fouten na de oorlog

Dat nooit meer geeft een overzicht van de verwerking van WO II in Nederland.

Een duizelingwekkend boek, vol halve waarheden.

Toen Chris van der Heijden in 2001 Grijs verleden uitbracht, was de tijd rijp voor een nieuwe omgang met de Tweede Wereldoorlog. Het was het jaar van de opkomst van Pim Fortuyn, het jaar van de aanslagen in New York, het jaar dat de oorlog zijn vanzelfsprekende morele betekenis verloor in Nederland. Het ideaal van de multiculturele samenleving begon barsten te vertonen, en veel mensen hadden er meer dan genoeg van dat de discussie daarover altijd in het perspectief van WO II werd geplaatst.

Grijs verleden sloot aan bij deze ontwikkelingen. Van der Heijden ageerde in zijn boek tegen de moraalridders – veelal uit linkse hoek – die van de oorlog een Groot Verhaal hadden gemaakt waarin de Goeden het van de Slechten wonnen, een verhaal bovendien dat diende als het fundament van de democratie en de rechtsstaat. Dat had niets meer met de oorlog te maken zoals die in werkelijkheid was geweest, beweerde Van der Heijden. Een nuchtere blik op de bezettingsjaren liet een heel ander beeld zien: chaos, opportunisme en vooral toeval.

Wat op zichzelf een nuchtere bijstelling had kunnen zijn van de inderdaad vaak al te moralistische Nederlandse beeldvorming van de oorlog, voerde Van der Heijden in Grijs verleden zo ver door dat er terechte kritiek kwam op de ‘morele nivellering’ in zijn boek. Of je SS’er werd of in het verzet ging, het was volgens hem toeval. Daar kwam bij dat Van der Heijden selectief met zijn bronnen en zijn voorbeelden was omgegaan, een kritiekpunt dat in veel recensies ondergesneeuwd raakte door de morele bezwaren die de boventoon voerden.

Nu, tien jaar na het omslagjaar 2001, komt Van der Heijden met een uitputtende studie over de manier waarop Nederland met WO II is omgegaan. Feitelijk is dit het onderwerp waar het Van der Heijden in Grijs verleden ook al om ging: hoe politici, journalisten, historici, schrijvers en filmmakers de herinnering aan de oorlog vormgaven om hun eigen morele en vaak ook politieke agenda kracht bij te zetten.

Het is een duizelingwekkend overzicht geworden van de talloze affaires en verhitte debatten die er 65 jaar lang over de oorlog gevoerd zijn, en als je het allemaal leest kun je haast niet anders dan Van der Heijden gelijk geven: er is een groot verschil tussen de oorlog zoals mensen die in ’40-’45 meemaakten en de oorlog die vanaf de jaren zestig is geconstrueerd door een nieuwe rebelse generatie die geen oog had voor de daadwerkelijke dilemma’s waar de oorlogsgeneratie mee te kampen had. Dat verklaart ook waarom er tijdens de jaren vijftig niet zo’n eenduidig beeld van de oorlog bestond: men wist hoe chaotisch de bezettingsjaren waren geweest, hoe moeilijk het was om een helder overzicht te krijgen van hoe je juist moest handelen. Er ontstond daarom al snel weerstand tegen de hardliners uit het voormalige verzet en de teruggekeerde regering uit Londen. Na een jaar van zuiveringen was het wel weer genoeg geweest. En er was al helemaal geen ruimte voor het allerconfronterendste feit uit de oorlogsjaren, de deportatie en uitroeiing van de joden.

Dit is al lang het standaardbeeld van de jaren vijftig. Van der Heijden zegt wat dat betreft niets nieuws, maar wat hij eigenlijk wil bewijzen is iets heel anders: het overgrote deel van de Nederlandse bevolking was het heimelijk eens met de toegevende houding van het gros van de bestuurders en bedrijven tegenover de Duitsers: ‘de accomodateurs of aanpassers [werden] in toenemende mate gezien als degenen die het land veilig door de oorlog hadden geloodst.’

Dat is wel even wat anders dan kritiek op de te ver doorgetrokken zuivering, of een steeds mildere houding onder de Nederlanders over de vrijlating van oorlogsmisdadigers. Van der Heijden weet deze bewering dan ook nergens hard te maken, hij deelt het alleen telkens mee in zijn boek. Wel komt Van der Heijden met een overweldigende hoeveelheid informatie over de pessimistische stemming in Nederland, de toestand van de economie, ophef over perszuiveringen, voormalige verzetsgroepen en oorlogsmisdadigers. Er zit allemaal niets nieuws bij, en het toont niets aan. Het blijft bij suggestie, en daar is Van der Heijden een meester in.

Zo moffelt hij cruciale feiten weg. De belangrijkste daarvan is de discussie over het Nederlandse optreden in Indonesië. Die is simpelweg afwezig in het boek, hoewel dit het eerste grote morele en politieke debat was waarbij volop naar de bezettingstijd verwezen werd: hoe kon Nederland zo vlak na de bevrijding nu zelf als bezettingsmacht opereren? Het past alleen niet in Van der Heijdens betoog. Dat moet immers bewijzen dat Nederlanders eind jaren veertig, begin jaren vijftig niet moreel dachten over de bezettingstijd.

Natuurlijk is elke historicus gedwongen om selectief te zijn. Maar wat er in Dat nooit meer gebeurt, gaat verder dan dat: Van der Heijden manipuleert bronnen die hij wél gebruikt, maar die kennelijk niet helemaal naar zijn zin waren. Van NSB-propagandist Max Blokzijl wekt hij de indruk dat die het Duitse antisemitisme eigenlijk verfoeide, en geen weet had van de moord op de joden. Een van de bronnen die hij daarvoor gebruikt is een studie over Blokzijl van René Kok. Als je die erop naslaat, lees je heel wat anders, zoals citaten uit Blokzijls radiotoespraken uit 1942: ‘Als straks de laatste joden den Nederlandschen bodem verlaten (…) zullen we hier en daar, tot onze groote verbazing maar ook eerlijke opluchting vaststellen, dat we deze gasten niet alleen voor onze samenleving niet noodig hebben gehad, maar dat de atmosfeer sedert hun vertrek er heel wat frisscher op geworden is.’

Van der Heijdens kunst van de suggestie is dat hij tussen de regels door ook meldt dat Blokzijl wel eens wat antisemitische uitspraken had gedaan, maar vooral uitweidt over het dagboek dat Blokzijl schreef in 1946. Blokzijl was toen al ter dood veroordeeld en dus, zo vindt Van der Heijden, zijn alle beweringen daarin betrouwbaar, want de man had toch niets meer te verliezen.

En zo gaat het maar door met suggestieve retoriek en halve waarheden in Dat nooit meer: karikaturen van verzetsschrijver J.B. Charles en Hannah Arendt, een wonderlijke passage over het dagboek van Anne Frank, dat volgens Van der Heijden succes kreeg omdat het de mogelijkheid bood de Shoah te negeren en er een universeel verhaal van te maken. Alsof de wetenschap dat Anne Frank omkwam in Bergen-Belsen niets te maken had met de ontroering van het publiek.

En dan zijn er nog de verdachtmakingen aan het adres van Loe de Jong, die met zijn standaardwerk over de bezettingstijd door Van der Heijden als hoofdverantwoordelijke wordt gezien voor het gechargeerde goed-fout-denken over de oorlog. Nu had De Jong in zijn eerdere werk veel meer de neiging om te moraliseren dan in zijn magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden. Dat geeft eigenlijk een behoorlijk volledig en afgewogen beeld, iets waar sinds Grijs verleden steeds meer historici op hebben gewezen. En dat zit Van der Heijden dwars. Dertig pagina’s van Dat nooit meer zijn ingeruimd om te bewijzen dat De Jong helemaal niet genuanceerd is. Maar Van der Heijden komt niet veel verder dan wat minieme details, een insinuerende passage over De Jongs handige bespeling van de media en de suggestie dat De Jong tijdens de affaire-Aantjes handelde uit politieke motieven. Met deze laatste verdachtmaking opent Dat nooit meer zelfs, zonder er ook maar iets van hard te maken. Van der Heijden slaagt er niet eens in om de momenten waarop De Jong expliciet oordeelde in zijn werk te ontkrachten. Vandaar dat hij overgaat op formuleringen als ‘Het gaat er hier niet om de vraag of De Jong ongelijk heeft…’

Er staan ook wel rustige, afgewogen hoofdstukken en passages in Dat nooit meer, er zijn invoelende passages over joodse en Indische kampervaringen bijvoorbeeld. Maar Van der Heijden probeert vooral té hard te bewijzen dat hij gelijk had met Grijs verleden. Het lukt hem niet.

Chris van der Heijden: Dat nooit meer. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Contact, 928 blz. € 69,95

    • Ewoud Kieft