Dutch Blend

Supermarkt Plus zond reclame uit voor Hollandse Prijsweken, waarin een witte dame flauwvalt bij het zien van een zwarte man, die gekleed is als Zeeuws meisje, omdat de Indiase kip tandoori in de aanbieding is. Ik vind dat in al zijn onlogica een betoverende commercial: precies Nederland.

Na zes jaar in Amerika lijkt zelfs een tv-spot voor Pickwick persiflage. Pickwick thee, dat was ooit reclame met een Brit, die hartverwarmend slecht Nederlands sprak: ‘Proef what tea ken zèkken’. Niemand dacht nog aan inburgeren. Maar nu neemt een vrouw op tv een doosje Pickwick in de smaak ‘English Blend’ in handen en vraagt zij kritisch aan een Pickwick-meneer: „Waarom is er eigenlijk geen Dútch Blend?”

„Haha!”, lach ik, de spot navertellend aan wie het maar wil horen. „Waarom geen Dútch blend!”

Niemand lacht mee.

Fietsen in de stad kregen snelbinders in de kleuren van de Nederlandse vlag, Soldaat van Oranje werd een musicalhit, op een pak melk staat ‘van Hollandse koeien’, alsof zelfs dat niet meer vanzelf spreekt. En we noemen dit nostalgie. Volgens Pickwick dankt Europa het theedrinken nu opeens aan de Nederlanders, en „dus niet de Engelsen, zoals je misschien zou denken”. Ha. Dus mooi niet de Engelsen. Trotse, VOC-achtige landkaarten in beeld. Dit terwijl een paar netten verderop nog net de serie De Slavernij begint.

Dagelijks wordt me gevraagd: „En? Ben je al gewend?” Goed bedoeld, maar het klinkt alsof de tijd dringt. Dus ik haast me naar het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, voor een spoedbehandeling.

Het Langweerse weidemolentje en de Denekampse bakspieker staan er daar pront bij. Maar van het Markense vissershuisje tot het Indisch achtererf maakt het museum er ook een punt van tussen de regels te melden hoe migratie altijd alles veranderde. En hoe hier geen groep migranten binnenkwam zonder dat Nederland aanvankelijk hoopte dat die na een tijdje wel weer zou weggaan. Tot het eindelijk, eindelijk wende.

Je moet het willen zien. Bijvoorbeeld in de Molukse Barak. Die is met een somber slaap-woonhok nog net zo ontmoedigend ingericht als destijds voor de ex-KNIL-militairen. Ook zij zouden daar, met hele families, jaren langer doorbrengen dan de bedoeling was.

Daar ging ik een tijdje zitten luisteren naar andere bezoekers, die de schemerige ruimte binnendruppelden. Hoe ze bijna allemaal eerst even beschaamd stilvielen. Hoe ze daarna onhandige Nederlandse dingen zeiden:

„Kleine ruimte, maar lekker praktisch ingericht, hoor.”

„Het waren ook tréínkapers, toch?”

En, onvermijdelijk:

„Toch heeft het ook iets knus.”

O, Mauro. Iedereen praat over je. Maar niet over de belofte die je bent. Niet over de leegte die je hier zou achterlaten.

Margriet Oostveen en Hassan Bahara schrijven vanaf vandaag beurtelings deze rubriek. Margriet Oostveen schreef eerder de column ‘In Washington’; Hassan Bahara schreef bijdragen voor de Achterpagina.