De wanhopige afvalshow van meneer Orlowski

Wereldwijd is overgewicht een groter probleem dan ondervoeding. Maar wat doe je eraan? Een Poolse politicus laat zich elke week voor het oog van de natie wegen om het goede voorbeeld te geven. „Kinderen van twaalf hebben hier hartproblemen.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De Poolse parlementariër Pawel Orlowski is radeloos. Niet omdat hij met zijn 35 jaar en 113 kilo er deze week weer niet in geslaagd is af te vallen – sterker, er kwamen juist wat pondjes bij.

Nee. Pawel Orlowski is radeloos omdat hij dezer dagen zoveel collega-zwaargewichten onder zijn landgenoten treft. Het aantal Poolse zwaargewichten is de laatste jaren schrikbarend hard gegroeid. Inmiddels is 60 procent van de bevolking te zwaar, of lijdt aan ziekelijk overgewicht (obesitas). En er zullen, volgens de officiële prognoses, de komende jaren nog heel veel dikke mensen bij komen.

„Bij ons hebben kinderen van twaalf al hartklachten. Als dat zo doorgaat, is het hier straks net New York”, moppert de politicus.

Voor New York had in dit geval evengoed Londen, Parijs, Berlijn, Amsterdam, Dubai, Warschau of Shanghai ingevuld kunnen worden. Want over de hele wereld dijt de massa zwaarlijvigen de laatste jaren snel uit. De keerzijde van de stijgende welvaart is dat het aantal mensen dat lijdt aan overvoeding het aantal mensen dat lijdt aan ondervoeding inmiddels heeft ingehaald: 1,5 miljard tegenover iets minder dan een miljard (925 miljoen), volgens de Wereldgezondheidsorganisatie.

Dat betreft niet alleen de usual suspects, de Verenigde Staten en West-Europese naties. Nee, ook in opkomende landen als China en Polen gaan meer en meer mensen gebukt onder overgewicht – in gelijke tred met hun vooruitgang.

Overgewicht is nu zelfs een groter gezondheidsprobleem dan honger. Volgens het Internationale Rode Kruis gaan er, sinds kort, meer mensen dood aan de gevolgen van te veel eten dan aan te weinig eten.

Maar terwijl al decennialang op wereldschaal programma’s worden ontwikkeld om de honger de wereld uit te helpen, zijn er nog maar weinig initiatieven die iets doen aan de zwaarlijvigen en hun eetzucht. Veel landen proberen wel van alles, maar hét recept heeft nog niemand gevonden. Eerder lijkt dikte een crisis waarvan nog weinigen weten dat die al in volle gang is.

Politici in allerlei landen moeten kiezen waar ze het meeste van verwachten. Dwangmaatregelen voor voedselproducenten leggen het vooralsnog af tegen programma’s om consumentengedrag te beïnvloeden. Maar hoe?

Pawel Orlowski prikt vanmiddag een vorkje Thais in de Buddha Bar in Gdansk. In zijn omvangrijke marineblauwe kostuum valt hij nauwelijks op in een paars getint decor van boeddhabeelden en oosterse muzak.

Orlowski worstelt al jaren met de Poolse overdaad. Hij behoort tot de generatie politici die is opgegroeid met Europese managementpolitiek: nu eens een programma om sport te promoten, dan een project om het verenigingsleven te bevorderen. Maar hij draagt ook een postcommunistische argwaan in zich tegen een staat die het leven van de burger tot in de puntjes reguleert. Liever zoekt Orlowski het goede voorbeeld, dat de mensen niet dwingt maar verleidt.

Zijn eerste voorbeeld in de strijd tegen overgewicht vond hij op tv. Hij probeerde in zijn stad Sopot, vlak bij Gdansk, het Britse model: de ‘Jamie Oliver-methode’, zogezegd, naar de bekende Britse tv-kok. Net als in Groot-Brittannië liet de politicus op scholen in zijn kiesdistrict (toen hij nog locoburgemeester was van Sopot) Poolse topkoks invliegen om kantinebazen te laten zien dat er ook gezonde alternatieven waren voor gepaneerde varkenslappen, koteletten en gehaktbrood.

Maar Jamie Oliver werkte niet in Sopot. Toen de kinderen op school geen vette pigori-worsten meer kregen, namen ze die mee van huis. Of kwamen hun ouders die ’s middags, in de pauze, brengen.

„Het is moeilijk voor mensen om te veranderen”, zucht Orlowski. Dat ervaart hij zelf in het restaurant. De gekookte vegetarische muntbladloempia, die hem moet helpen af te vallen, doet hem niet direct het water in de mond lopen.

Toch veranderen de Poolse eetgewoontes en hun levensstijl wel. Gemak wint het ook hier van traditie. Pizza, patat en andere ongezonde (westerse) spijzen hebben hun plekken op de menu’s veroverd. Voetbal en fiets werden ingeruild voor PlayStations en Nintendo Wii’s. In de centra van steden als Gdansk concurreren McDonald’s, Kentucky Fried Chicken en de Pizza Hut op de vierkante meter om de consument die even snel een vette hap wil halen.

Orlowski bedacht, in een tweede poging om het uitdijen van zijn landgenoten tegen te gaan, een plan dat volgens hem beter bij die nieuwe, moderne leefstijl paste.

Wekelijks laat Orlowski zich voor het oog van de natie wegen om aan te tonen dat het hem menens is om van zijn lovehandles af te komen. Daarbij laat hij cola, chips, burgers en gebakjes zoveel mogelijk staan. En probeert hij juist gezond en bewust te eten. Ook dat doet hij in het openbaar; in restaurants in Gdansk laat hij zich door de chef-koks informeren over de ‘goede’ maaltijden op de kaart, en daar kiest hij er dan een van, in aanwezigheid van journalisten en fotocamera’s. Op die manier hoopt hij zijn landgenoten te laten zien dat het helemaal niet moeilijk is om gezond te eten.

Bij de Thai is de belangstelling voor zijn muntbladmenu vandaag bescheiden: twee verslaggevers en één Poolse fotograaf.

Ook dit plan lijkt tot mislukken gedoemd, vreest Orlowski. Tot nu toe trekt zijn campagne weinig aandacht. De vorige keer – twee jaar geleden deed hij ook mee aan een publiekelijke afvalshow – deed het dat ook niet. „Dit zou weleens de laatste keer kunnen zijn”, zucht Orlowski.

Hij zegt steeds op hetzelfde probleem te stuiten: de schijnbaar totale onwil van de burger om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gezondheid. Overheden lukt het niet hun burgers te stimuleren gezonder te eten. De mensen willen gewoon niet verleid worden om het goede te doen. Ze willen eten wat gemakkelijk is.

Langzamerhand moet Orlowski de blik wenden naar landen waar de staat het goede weer gewoon durft voor te schrijven. Frankrijk en Denemarken, in plaats van Groot-Brittannië met zijn Jamie Oliver. Ook deze landen kampen in toenemende mate met dikte (ja, ook in Frankrijk maakt het mediterrane dieet plaats voor westers junkfood – hele gezinnen leven op diepvriesmaaltijden van Picard Surgelés).

En daar lijken ze nu tot de conclusie gekomen dat je het bestrijden van overgewicht maar beter niet aan de burger kunt overlaten. Waar Frankrijk en Denemarken vroeger directe bemoeienis meden, om niet betuttelend te zijn, deinzen ze nu niet meer terug voor dwang en verboden.

In Frankrijk, het land van de Vrijheid en de Gezonde Olijfolie, zijn voor kinderen sinds kort de frieten op rantsoen. Minister van Landbouw Bruno Lemaire kondigde deze maand per decreet aan dat kantines van basis- en middelbare scholen per direct nog maar één keer per week de bij de jeugd heilige frieten mogen serveren bij de lunch. Op de andere dagen is patat verboden. Een ingrijpende maatregel, want de collectieve warme schoollunch is in Franse scholen de dagelijkse praktijk – waar een logistiek verfijnde bedrijfstak op drijft.

In het decreet schrijft de Franse minister ook voor dat ketchup,mayonaise en andere vette sauzen niet meer vrij beschikbaar in de zelfbediening mogen zijn, net als zout. In de praktijk betekent dat: nog maar één keer per week ketchup, want alleen als er friet wordt geserveerd, en niet bij andere gerechten, zoals boeuf bourguignon (een ook niet heel gezond Frans gerecht dat overigens niet van het menu verdween).

In Denemarken, met twee varkens per hoofd van de bevolking de grootste baconproducent ter wereld, moet de consument sinds deze maand extra diep in de buidel tasten voor alles wat ongezond is, zoals pizza, boter, hamburgers en die bacon.

Deze maand voerde de overheid een speciale ‘vettax’ in, naar eigen zeggen als eerste land ter wereld. Per kilo verzadigd vet betaalt de Deen 16 kronen extra, omgerekend 2,16 euro. Helemaal de eerste zij de Denen overigens niet. De regering-Orban in Hongarije, groot liefhebber van ingrijpende regels, heft sinds al de zomer extra belasting op chips, ijsjes en veel vet vlees. Hoewel daar de ‘hamburgerbelasting’ overigens vooral bedoeld lijkt om de staatskas te spekken, en niet om de bevolking te helpen afslanken.

Er zijn overheden die er helemaal geen heil in zien vetzucht aan te pakken door in te grijpen in persoonlijke keuzevrijheid. Orlowski zou ook een voorbeeld kunnen nemen aan Japan. Daar geldt sinds een paar jaar een wettelijk verbod op te dik zijn. Mannen van boven de 40 mogen niet dikker zijn dan 85 centimeter. Voor vrouwen van die leeftijd geldt een maximale omvang van 90 centimeter.

De wet wordt niet echt nageleefd en het is onduidelijk welke straf er precies op te dik zijn staat. Maar toch, het staat in het wetboek: dik zijn is verboden en wie toch te veel eet, krijgt met de overheid te maken, bijvoorbeeld via een verplicht bezoek aan de diëtist.

Of dat soort programma’s een kans zou maken in Polen, betwijfelt Orlowski sterk. Overheidsbemoeienis ligt in Polen gevoelig. Het communisme, en de almacht van de staat, ligt nog vers in het geheugen.

Als je het hem vraagt zal het tot belastingen, verboden of wettelijke taillemaxima niet snel komen.

Individuele vrijheid is voor veel Polen op dit moment het grootste goed, zegt Orlowski. Waarschijnlijk zullen dikke mensen daarom niet snel uit het straatbeeld van zijn stad en zijn land verdwijnen. Overgewicht is de prijs van vrijheid – en van rijkdom. „Maar goed, we blijven proberen”, zegt Orlowski.

Zwijgend neemt hij nog een hap van zijn muntloempia.

Chris Hensen