De deur van Mark

Het gaat er niet om of ik je vertrouw of niet, dit is gewoon niet mijn ding. Mark staat ongeduldig in de deuropening. Hij heeft mij net onder lichte dwang naar buiten geëscorteerd nadat ik precies dertig seconden op zijn verjaardagsfeest in Alphen aan den Rijn was.
Zijn moeder liet mij vriendelijk binnen. Dat vindt Mark vast leuk, zei ze en gaf me een vette knipoog. Ik wist niet wat die knipoog betekende maar ik vond het een goed begin. Vol goede moed liep ik achter haar aan de kamer in. Op naar Mark.
Zijn moeder had het mis. Mark vond het niet leuk. Mark vond het belachelijk.
Je kunt meteen rechtsomkeert maken, zei hij. En toen, waarschijnlijk om te checken of ik wel echt vertrok, liep hij mee tot aan de deur.
Daar staan we nu. Mark wil terug naar binnen. Maar iets houdt hem tegen. Hij durft de deur niet in mijn gezicht dicht te slaan.

Ik sprak ooit een bekende Nederlander die zei dat je de wereld kunt onderverdelen in mensen bij wie je wel en mensen bij wie je niet kunt onderduiken. Hij ging een rijtje collega’s af. Jeroen Pauw niet, zei hij. De koningin wel. Die strikte waterscheiding heeft mij nooit helemaal losgelaten. Mark zweeft nu ergens tussen Jeroen Pauw en Beatrix. Hij twijfelt.

Dit is toch gewoon raar? Hij klinkt ontsteld, alsof ik hem iets heb aangedaan. Zijn moeder roept vanuit de kamer. Hij kijkt snel achterom, de donkere gang in, vraagt nog een keer wat ik precies op zijn feestje kom zoeken. Een ontmoeting ga je hier niet vinden, zegt hij.
Ik zeg dat ik denk van wel. Wat wij hier nu al vijf minuten in de deuropenig staan te doen is toch ook een ontmoeting, zeg ik. Mark schudt zijn hoofd. Dit is geen ontmoeting, dit is een raar gesprek. Ik vraag wat hij dan wel een ontmoeting vindt. Hij kijkt mij verstoord aan. Een ontmoeting is leuk. Met mensen die je kent.

Hij heeft gelijk, het is een raar gesprek. Maar ik vind dat dat zijn schuld is. En nu weglopen voelt als verliezen. Toegegeven, het ligt niet alleen aan Mark dat ik er hier zo verbeten bij sta. Ik heb net mijn voorstelling gespeeld in het theater verderop voor drieëntwintig mensen, inclusief techniek. Drie van de drieëntwintig dommelden af en toe weg. Twee vertelden me na afloop dat het niet echt hun ding was maar dat het toch knap is dat ik zo makkelijk vijf kwartier vol lul. En ja, het is kinderachtig, maar ik ben boos op Alphen aan den Rijn. En al helemaal op Mark, die mij zonder pardon de straat op bonjourt.
Je moeder denkt er anders over, zeg ik.
Mijn moeder is een geitenwollen sok, antwoordt hij. Als je die d’r gang laat gaan plukt ze voor mijn verjaardag nog een stel Marokkanen van de hoek.
Mark neemt een slok uit zijn flesje bier. Hij schudt zijn hoofd, alsof er een vervelende gedachte uit moet. Hij verzet zich tegen het geitenwol in zijn genen. Ik probeer hem vriendelijk aan te kijken, dwing mijn mondhoeken omhoog. Hij kijkt geïrriteerd terug. Ik denk aan het spelletje waarbij je elkaar zo lang mogelijk in de ogen moet kijken en degene die het eerst lacht verliest. Maar geen van ons tweeën lacht. Mark sluit zachtjes de deur. Nog even zie ik hem dralen in de gang. Dan doet hij het licht uit en loopt het huis in.