Water-en-wijnsommen

Gezonken bootje in de Bloemgracht Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 070618

De waterbalans, nee, de vochtbalans, dat is de noemer van het stukje van vandaag. Er liggen geen bijzondere waarnemingen aan ten grondslag, het gaat meer om gedachten die opkomen als men in het buitenland niets om handen heeft.

Het begon drie weken geleden met een kampeertochtje in de Belgische Ardennen waar de zomer zomaar was teruggekeerd. De jagers knalden er al lustig op los, populieren lieten de eerste bladeren vallen, maar verder was alles zoals het is als het nog zomer worden moet. Met dit verschil dat de beken droog stonden. Een vreemde gewaarwording: wel water in de karresporen, niet in de beken. Kennelijk duurt de nalevering uit de bodem maar kort – het heeft toch afgelopen zomer voldoende geregend.

Droge beken, daar had de Lichtgewicht Kampeerder niet aan gedacht. Voor de bereiding van het avondeten rekent hij altijd op onbeperkte beschikbaarheid van Ardenner bodemwater. De vraag was dus: wat nu. Al vaker is hier gehoond op al die survivalgidsen die nooit meer dan theoretische oplossingen bieden voor praktische kampeerproblemen, zoals acuut watergebrek. Lees hun aanwijzing voor het gebruik van dauw, de uitwaseming van boombladeren en voor het uitknijpen van modder. Je hebt er niets aan.

Nooit wordt in die gidsen nagedacht over die volstrekt voor de hand liggende vraag: als er geen water is, wat kan ik dan het beste eten om zo min mogelijk dorst te krijgen. Worst? Een reep chocola? De Sultanakaakjes? Margarine? Kaas? Onbegrijpelijk, want iedereen weet dat je van de ene soort eten veel meer dorst krijgt dan van de andere. Met heel zout eten is dat het duidelijkst, maar wie er op let merkt dat ook een erg eiwitrijke maaltijd de waterbehoefte vergroot. Aardig genoeg vind je analyses van de relatie tussen dieet en waterbehoefte vooral in veeteeltkundige bladen (google met ‘livestock’, ‘water’ en ‘requirement’ of ‘consumption’). Het lichaam heeft veel water nodig voor de afvoer van het zout en van de stikstof die met de eiwitten werden opgenomen. Dat komt in ureum terecht.

Het eerste advies is dus: minimaal zout en eiwitten. Maar er zit een andere kant aan de zaak die hier al eens eerder ter sprake kwam (april 2003). Weinigen realiseren zich dat in het lichaam altijd veel water uit voedsel wordt vrijgemaakt, ook als het gortdroog voedsel betreft. De klassieke formule voor de ‘verbranding’ van glucose laat het zien:

C6H12O6 + 6O2 —> 6CO2 + 6 H2O .

Uit een molecuul glucose kunnen zes moleculen water ontstaan. Er zijn diertjes in de woestijn die geheel op dit ‘metabolisch water’ zijn aangewezen. Nooit drinken die een slokje water.

Het lichaam ziet geen verschil tussen metabolisch water en water dat uit een waterglas komt. Je zou opkomende dorst dus ook met metabolisch water kunnen bestrijden. Het interessante is dat uit de ene voedselsoort veel meer water vrijkomt dan uit de andere. Uit een gram glucose komt 0,6 gram water vrij. Voor zetmeel, ook een koolhydaat, is het 0,56, voor eiwit (proteïne) is het 0,39 maar voor vet is het 1,07. Wie een half pakje boter eet krijgt meer dan een half glas water geproduceerd. Het zijn geen verwaarloosbare hoeveelheden.In noodgevallen boter eten, lijkt de heldere conclusie. Maar nu maken de veterinaire bladen weer bezwaar, want pluimvee schijnt extra water te drinken als het vet getafeld heeft, hoe zeg je dat. Zou het ook voor mensen gelden? Dat gaan wij binnenkort verder uitzoeken en dan schrijven wij ook een eigen survivalgids.

Als glucose, of een andere suiker, wordt vergist (dus niet ‘verbrand’) tot alcohol ontstaat er geen water. Erg belangrijk is dat niet, maar het schoot te binnen toen er laatst werd nagedacht over de vraag of een mens zou kunnen controleren of een land als Frankrijk veel meer wijn consumeert en exporteert dan volgens Bartjens mogelijk is. De productiecijfers zijn zo hoog dat je je soms afvraagt: waar halen ze het vandaan.

Reken mee. Gemakshalve kiezen we getallen die Engelse sites op internet aanleveren, vaak komen ze van de FAO. De wijnproductie van Frankrijk bedroeg in 2007 ruim 4,7 miljoen ton. Dus 4,7 miljard liter. Het met wijndruiven beteelde oppervlak is 8.520 km2, dat is 852.000 hectare.

Ruwweg komt er dus 5.200 liter wijn van een hectare. Wie dat thuis eens met de een of andere klassieke pers onderzoekt stelt vast dat hij van een kilo consumptiedruiven hoogstens een halve liter druivensap perst. We houden maar aan dat het rendement van de kleinere, minder sappige wijndruiven net zo hoog is en gaan er verder vanuit dat er uit een halve liter druivensap uiteindelijk ook een halve liter wijn ontstaat.

Moeilijker is de schatting van het gemiddeld trosgewicht. Voor wijndruiven ligt dat aanmerkelijk lager dan voor die vette consumptiedruiven. Het Amerikaanse artikel ‘Methods of crop estimation in grapes’ komt uit op 0,35 pound, dat is 160 gram, maar andere, vergelijkbare artikelen komen hoger uit. Ook lager, trouwens. Misschien is 250 gram een beter gemiddelde?

Waar wil hij naar toe, denkt de lezer. Wel, naar het antwoord op de vraag of iemand die even tussen de wijnstruiken loopt kan vaststellen of de Fransen knoeien met hun productiecijfers. Want de struiken staan, zoals bekend, op rijen en de rijafstand is bij benadering 2 meter, soms wat minder. Een hectare wijndruiven heeft dus 5000 strekkende meters druivenstruik. Per strekkende meter moeten er dan 8 trossen te vinden zijn. Om dat getal ging het. Het klinkt niet alsof het niet zou kunnen, het getal 80 of 800 had ons aan het twijfelen gebracht. Het getal 0,8 ook. Voorlopig gunnen we de Fransen het voordeel van de twijfel.

Is dat leuk, dit soort gereken? Je moet er van houden, dat is waar. Maar het dwingt je na te denken over zaken waaraan je anders nooit gedacht zou hebben. Reken bij wijze van oefening eens uit of één winterseizoen genoeg is om het gemiddelde roeibootje-zonder-dekzeil tot zinken te brengen. Denk aan het neerslagoverschot en verdamping uit een vrij wateroppervlak en vergeet niet dat het verdampend oppervlak vooral in het begin veel kleiner is dan het regen-invangend oppervlak.