Vuil, gewelddadig, asociaal

Meer dan de helft van de 7 miljard wereldburgers woont in een grote stad. En Lagos, Nigeria, is de grootste stad in het snelst groeiende werelddeel. De gouverneur strijdt tegen de overbevolking en de permanente files.

Arm en rijk verdringen zich bij de stoplichten. Inwoners in vodden vragen een aalmoes aan bewoners in luxe auto’s. De Afrikaanse middenstand groeit en de files in Afrikaanse steden worden langer en langer. Ook het aantal armen neemt toe, bij iedere rijke buurt hoort een sloppenwijk.

In 2025 zal Lagos, zwart Afrika’s grootste stad, 25 miljoen inwoners tellen.

De economische hoofdstad Lagos ligt langs dampende kreken en lagunes. Het gehucht Lagos heette vóór de komst van de Portugese zeevaarders nog Eko. Vergeelde foto’s van begin vorige eeuw tonen een rustiek stadje aan de kust, met houten huisjes en fietsende inwoners, en schoon zeewater waarin je nog zwemmen kon. Lagos telde in 1950 290.000 inwoners, in 1963 één miljoen.

Na de koloniale tijd kwam de oliewelvaart. Het platteland liep leeg. Iedereen trok richting Lagos om een aandeel te vergaren in de bonanza. De stad raakte overvol, er was geld en werk. Alle rijkdom werd geconsumeerd. Nigeria kende rijkdom zonder ontwikkeling, materiële vooruitgang zonder inspanning. Het land hield op met voedsel produceren. Het bouwde marmeren hallen, glimmende kerken en deftige villa’s.

Als een zeepbel spatte de welvaart uiteen. Eind jaren zeventig begon de olieprijs te kelderen. De landbouwsector was kapot gemaakt en bood geen alternatief meer.

De driebaanswegen zitten nog altijd verstopt en langs en door de files wringt zich een leger van werkloze jongens en meisjes met consumptiegoederen. Ze bieden alles aan: elektronica, toiletbrillen, brood, ijswater in plastic zakjes, kranten en verdroogde ratten. Ze tikken op de raampjes, maken bokkensprongen om de aandacht te trekken en duiken behendig weg voor agressief optrekkende automobilisten. Die houden hun raampjes gesloten om de klamme lucht en de criminaliteit buiten te houden.

Een lijk dobbert voor de kust bij een opgespoten eiland waar een satellietstad verrijst. In Lagos wordt alle rommel – de stront van de bevolking en de doden van verkeer en misdaad – de zee ingezogen. Vuil, gewelddadig, asociaal. „Lagos veranderde in een hel door vele jaren wanbestuur”, zegt Babatunde Fashola, gouverneur van de deelstaat Lagos die de metropool weer een menselijk aangezicht probeert te geven.

De gouverneur schafte duizend openbare bussen aan en gaf ze in de verkeerschaos een vrije baan. Voor het eerst kreeg Lagos een spoorweg voor forensen. De één miljoen uitlaatgassen puffende brommertaxi’s werden aan banden gelegd. Inwoners en bedrijven moesten belastingen gaan betalen. Agenten schieten weer te hulp bij overvallen. Benauwde hartpatiënten hoeven niet meer achterop de brommer naar het ziekenhuis. Op straathoeken staan brandweerauto’s en ambulances opgesteld.

De wedergeboorte van Lagos wordt geholpen door zijn sterke economische positie. De deelstaatregering genereert 75 procent van haar inkomsten uit eigen belastingen en hoewel Nigeria wordt geplaagd door een zwaar onderontwikkelde energiesector, bouwt Lagos zelf energiecentrales om de afhankelijkheid van het nationale stroomnet te verminderen. Lagos is door de verbeteringen in de infrastructuur de twaalfde economie van Afrika geworden, even groot als de economie van Kenia.

    • Koert Lindijer