Voer numerus fixus in voor designopleidingen

In het TNO-rapport ‘Vormgeving verder op de kaart’ (NRC Handelsblad, 19 oktober) wordt vermeld dat de toegevoegde waarde van vormgeving is opgelopen tot 4 miljard euro en dat de sector tweemaal zo snel groeit als de totale economie van Nederland. Dat zijn fraaie cijfers, maar hoe komt men aan aan deze getallen? Om tot dit bedrag te komen heeft men – net als in het eerste rapport van 2005 – de omzet van de hele branche meegerekend en alles wat maar iets met vormgeving te maken heeft. Daar doen we ons vak geen goed mee, om de eenvoudige reden dat we het niet waar kunnen maken. Het kwalijkste is echter dat er elk jaar weer veel vormgevers vrijwel kansloos op de markt worden gezet. De meesten kunnen er niet of nauwelijks van rond komen maar zullen dit zelden laten blijken. In het rapport wordt hier wel even naar verwezen maar het wordt al snel weggepoetst met hoera-verhalen over de flexibiliteit en dynamiek van de ontwerpers. De bizarre reden hierachter is dat de Nederlandse vormgeving (Dutch Design) zelf een soort industrie is geworden waar de opleidingen, BNO, de Premsela stichting en TNO zelf, evenals de vele promotie en adviesorganisaties zoals Design Link en Design Initiatief, ook deel van uit maken.

Inmiddels telt Nederland meer dan 20 designopleidingen. De overheid zou er goed aan doen dit aantal drastisch te beperken (2-3 topopleidingen) en een numerus fixus in te voeren. Beperkingen van subsidies zou eveneens verstandig zijn, want die hebben veelal een ontwrichtende werking. Het trekt diegene aan met verkeerde motieven of het schept te hoge verwachtingen.

Lou Beeren

Groningen