Paul Kennedy: het Westen vervalt sneller

Een digitaal tijdperk zou aanbreken, met iPads en protesten op Facebook. Triviaal. De revolutie is in de wereldverhoudingen.

Een waterscheiding is volgens het woordenboek een verschijnsel uit de fysische geografie: „een lijn die twee naburige stroomgebieden van elkaar scheidt.” Het water ten noorden van de scheiding loopt de ene kant op en het water ten zuiden van de berg de andere, maar de term wordt sinds jaar en dag ook gebruikt om een historisch en politiek verschijnsel te omschrijven – als een reeks bestaande menselijke handelwijzen en omstandigheden onherroepelijk, over een grote kloof, van het ene tijdperk naar het volgende overgaat.

Op het moment zelf beseffen maar weinig tijdgenoten dat ze een nieuw tijdperk zijn ingegaan, tenzij de wereld natuurlijk een rampzalige oorlog achter zich heeft, zoals de Napoleontische Oorlog of de Tweede Wereldoorlog, maar op zulke abrupte historische overgangen richt dit artikel zich niet. We hebben het hier over de langzame opbouw van – vooral onzichtbare, vrijwel altijd onvoorspelbare – krachten tot verandering die vroeg of laat het ene tijdperk zullen doen overgaan in het andere.

Dit onderwerp ‘waterscheidingen’ duikt vaak op in een wekelijks discussiecollege dat ik dit semester houd met acht studenten van Yale. Het was oorspronkelijk niet de bedoeling om ons te richten op dit probleem, maar zo is het wel gegaan. Het eerste boek dat we bestudeerden, was het klassieke Herfsttij der Middeleeuwen van Johan Huizinga. Dit is een weemoedige blik op het einde van een eeuwenlange periode in de westerse geschiedenis. Daarna hebben we ons geworsteld door boeken over het begin van de Europese expansie (Carlo Cipolla’s Guns, Sails, and Empires: Technological Innovation and the Early Phases of European Expansion, 1400-1700) en de gewelddadige Reformatie in Engeland (Eamon Duffy’s The Stripping of the Altars).

Als we deze boeken in samenhang bekeken, beseften we dat we te maken hadden met een waterscheiding van reusachtige om-

Vervolg Westen: pag. 2

Weet iemand in Brussel wel dat vijfhonderd jaar geschiedenis ten einde is?

vang. Niemand uit 1480 zou vijftig jaar later de wereld van 1530 herkennen, een wereld van nieuwe nationale staten, de breuk in het christendom, de Europese expansie in Azië en Noord- en Zuid-Amerika en de communicatierevolutie van Gutenberg. Dit was misschien wel de grootste historische waterscheiding aller tijden, in het Westen tenminste.

Natuurlijk zijn er nog andere voorbeelden. Wie in 1750 in Engeland leefde, voorafgaand het wijdverbreide gebruik van de stoommachine, zou versteld hebben gestaan van de toepassing hiervan vijftig jaar later. De Industriële Revolutie was aangebroken! Nu en dan hebben overgangen van het ene tijdperk naar het andere een nog kortere levenscyclus, zoals in dat epische tijdvak tussen 1919 en 1939. Begin jaren dertig leed de democratie aan slijtage en was de wereldeconomie verrot, maar wie besefte dat dit zou leiden tot oorlog en Holocaust? Zoals de grote historica dr. Zara Steiner uit Cambridge zich afvroeg: „Wanneer wisten de mensen dat ze niet meer in de naoorlogse tijd van de Eerste Wereldoorlog, maar in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog leefden?” Het antwoord is dat maar heel weinigen daarvan een vermoeden hadden. De nieuwe werkelijkheid drong tot velen pas later door. Ze waren in een nieuw tijdperk.

Hoe staan we er nu voor? Veel journalisten en technische experts wijzen opgetogen op onze voortgaande communicatierevolutie – mobiele telefoon, iPad en andere snufjes – en op de gevolgen daarvan voor landen en volkeren en voor traditionele machthebbers en nieuwe bevrijdingsbewegingen. Het bewijs voor deze visie blijkt duidelijk in het hele Midden-Oosten en zelfs in de zeer tamme ‘Occupy Wall Street’-beweging, al is het de vraag of iemand van de hightechprofeten die verkondigen dat er een nieuw tijdperk in de wereld is aangebroken, weleens de moeite heeft genomen om zich te verdiepen in de effecten van Gutenbergs drukpers of van de radiopraatjes van Franklin D. Roosevelt voor tientallen miljoenen Amerikanen in de bange jaren dertig en vroege jaren veertig.

Elke tijd wordt dus gebiologeerd door zijn eigen technische revoluties. Daarom zal ik me op iets heel anders richten: de tekenen van veranderingen die doen vermoeden dat we bepaalde historische waterscheidingen naderen – of misschien zelfs al zijn overgegaan – in de harde wereld van de economie en politiek.

1De eerste hiervan is de gestage uitholling van de dollar als ’s werelds enige of overheersende reservemunt. De tijd is allang voorbij dat 85 procent of meer van de internationale valutareserves in dollars werd aangehouden. Weliswaar schommelt het cijfer op het ogenblik hevig, maar het ligt dichter bij de 60 procent. Ondanks de economische narigheid in Europa en zelfs in China is het geen waanidee meer om ons een wereld voor te stellen met drie grote reservemunten – dollar, euro en yuan – met een paar kleinere uitschieters als het pond, de Zwitserse frank en de Japanse yen. Een Amerikaanse econoom of beleggingsadviseur die niet inziet dat de tijden veranderen, heeft oogkleppen op en bewijst zichzelf en zijn klanten een bijzonder slechte dienst. De simplistische gedachte dat mensen in de ‘veilige haven’ van de dollar vluchten, wordt op de proef gesteld door de steeds onwezenlijker schuld van het land aan buitenlandse geldschieters. Zal een wereld met verschillende reservemunten meer of minder financiële stabiliteit geven?

2De tweede verandering is de uitholling en verlamming van het project Europa. Hiermee doel ik op de droom van Jean Monnet en Robert Schuman dat de heterogene Europese nationale staten steeds meer zouden samengaan, eerst door commerciële en fiscale integratie en daarna door serieuze en onomkeerbare verbondenheid aan een politiek verenigd continent. De instellingen om deze droom te verwezenlijken – het Europees Parlement, de Commissie, het Hof van Justitie – zijn er al, maar de politieke wil om ze echt leven in te blazen, is verdwenen, jammerlijk ondermijnd door het eenvoudige gegeven dat sterk uiteenlopende staatshuishoudingen niet te verenigen zijn met een gemeenschappelijke Europese munt. Grof gesteld – Duitsland en Griekenland kunnen met hun verschillende begrotingsaanpak niet samen optrekken naar een Verenigde Staten van Europa, maar niemand lijkt een antwoord te hebben op deze tweedeling, behalve dan het wegwerken van de barsten met nieuwe tranches euro-obligaties en leningen van het Internationaal Monetair Fonds.

3De Europeanen hebben met andere woorden de tijd noch de energie noch de middelen om zich te richten op iets anders dan op hun eigen problemen. Hierdoor hebben zich in heel Europa maar weinig commentatoren verdiept in iets wat weleens de derde grote verandering van onze tijd zou kunnen zijn – de enorme wapenwedloop die zich voltrekt in de meeste delen van Oost- en Zuid-Azië. De Europese legers worden een soort lokale politie, maar de Aziatische regeringen ontwikkelen intussen doelgericht een onderzeevloot. Ze bouwen nieuwe legerbases, schaffen steeds geavanceerder vliegtuigen aan en testen raketten voor steeds langere afstanden. Voor zover er discussie is ontstaan, richt deze zich op de militaire opbouw van China en veel minder op het gegeven dat Japan, Zuid-Korea, Indonesië, India en zelfs Australië precies hetzelfde doen. Ik heb deze vraag al eens eerder gesteld, maar geen afdoende antwoord gekregen – wat voorvoelen de Aziatische landen over de toekomst van de wereld waarvoor Europese regeringen blind zijn? Mochten tragere economische groei, milieuschade en slijtage van het sociale weefsel in China de toekomstige leiders tot buitenlands spierballenvertoon bewegen – voorlopig zijn die leiders eerlijk gezegd nog heel voorzichtig – dan hebben hun buren een stevige reactie in petto. Weet in Brussel wel iemand – en kan het iemand daar schelen – dat vijfhonderd jaar geschiedenis, de wereld van 1500, ten einde is? Azië treedt in de schijnwerpers. Europa wordt een achtergrondkoor. Zullen toekomstige historici ook dit verschijnsel niet zien als een ongelooflijk belangrijke waterscheiding in de internationale betrekkingen?

4De vierde verandering is helaas het langzame, gestage en groeiende verval van de Verenigde Naties en vooral dat van hun meest essentiële orgaan, de Veiligheidsraad. Het VN-Handvest werd zorgvuldig opgesteld, om de familie van naties te helpen om rust en voorspoed te genieten na het gruwelijke kwaad dat geschiedde tussen 1937 en 1945, maar dit Handvest was een afweging. In het besef dat de grote mogendheden van 1945 een onevenredige rol zou moeten worden toebedeeld (zoals het vetorecht en een permanente zetel in de Veiligheidsraad), hoopten de opstellers niettemin dat deze vijf regeringen zouden samenwerken om de hoge idealen van het wereldlichaam te verwezenlijken. De Koude Oorlog doodde deze hoop. De val van de Sovjet-Unie wekte hem weer tot leven. Inmiddels vervliegt hij weer, door het cynische misbruik van het vetorecht. Als China en Rusland elke maatregel blokkeren om te voorkomen dat het akelige bewind van Assad zijn eigen Syrische burgers vermoordt en als de Verenigde Staten elke resolutie blokkeren om te voorkomen dat Israël nog meer Palestijns gebied binnentrekt, maakt de wereldorganisatie zichzelf overbodig. Moskou, Peking en Washington lijken dit wel goed te vinden.

Het tanende gewicht van de dollar, de verbleking van de Europese dromen, de wapenwedloop in Azië en de verlamming van de VN-Veiligheidsraad, telkens als er een veto dreigt – is dit al met al geen aanwijzing dat we ons begeven in nieuwe, onbekende wateren, in een woelige wereld, waarbij het blije vertoon van klanten die met hun jongste update uit een Applewinkel komen, nou ja, verweekt en onbeduidend afsteekt? Het lijkt wel of we terug zijn in 1500 en uit de Middeleeuwen de vroegmoderne wereld binnengaan. Het volk stond destijds versteld van een nieuwe, krachtiger handboog. We kunnen onze wereld toch wel ietsje serieuzer nemen?

Paul Kennedy is hoogleraar geschiedenis en internationale veiligheidsstudies aan de Yale-universiteit. Hij is onder meer schrijver van de klassieker The Rise and Fall of the Great Powers (1987). ©Tribune Media Services