Over de Hollandse dijk

De week van de cruciale top van Europese regeringsleiders over het beteugelen van de eurocrisis was tevens de week waarmee het teruggekeerde Nederlandse eurorealisme nog eens werd bevestigd. Als een van de zes founding fathers van wat nu de Europese Unie heet, toonde Nederland verantwoordelijkheidszin.

In Brussel is afgelopen woensdagnacht in de woorden van premier Mark Rutte een „brandgang” gemaakt „die voorkomt dat problemen van land op land overslaan”. Niet zozeer om Nederland van het vuur te vrijwaren, maar wel om andere schade te voorkomen. Omdat het ook in het Nederlands belang is dat in andere Europese landen geen financiële chaos ontstaat.

Tevens heeft Nederland zich geschaard achter de conclusie van de regeringsleiders dat de manier waarop het begrotings- en economisch beleid in Europa wordt gecoördineerd, „fundamenteel” zal worden gewijzigd. „Alvorens nationale besluiten worden genomen vindt in het vervolg op EU-niveau coördinatie plaats”, aldus de verklaring van de regeringsleiders. Kortom, een forse overdracht van nationale bevoegdheden; iets waarvan premier Rutte een half jaar geleden zei dat hier geen sprake van kon zijn. Toen ontkende hij nog glashard dat de plannen die in Brussel in de maak waren om de eurocrisis te bestrijden, zouden leiden tot een sterker Europees economisch bestuur.

De ommekeer in het denken zette deze zomer in. In de op Prinsjesdag gepresenteerde Rijksbegroting voor het komend jaar nam Europa een prominente plaats in. Ook de brief die het kabinet rond dezelfde tijd naar de Tweede Kamer stuurde over de aanpak van de crisis, ademde een andere toon over Europa: de oplossing diende dáár gevonden te worden.

In het politieke debat is het juist de toon die de muziek maakt. Die was bij het aantreden van het minderheidskabinet uitermate gereserveerd ten aanzien van Europa. In het regeerakkoord worden veel meer woorden besteed aan wat Europa niet moet doen dan wat het wel moet doen. Letterlijk staat er: „Voor de komende periode is de grens bereikt van overdracht van nationale bevoegdheden aan de EU.”

Opmerkelijk was ook de kanttekening die minister Uri Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) eind vorig jaar aanbracht bij een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over het Nederlands beleid. Dit rapport, opgesteld onder leiding van de CDA’er Ben Knapen die inmiddels als staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken tot het kabinet was toegetreden, sprak nadrukkelijk uit dat Nederland zich meer tot Europa moest wenden. Maar volgens Rosenthal diende Europa nu juist niet het enige ankerpunt te zijn. Na de Europese top van deze week kan worden geconcludeerd dat Europa voor het Nederlandse kabinet geen ankerpunt is, maar een reddingsvlot.

Het is dan ook te hopen dat het kabinet de aanvankelijk zo aarzelend en plichtmatig beleden steun aan Europa blijvend zal omzetten in een meer proactieve en positieve houding. Er is niets mis met een kritische houding, maar als het negativisme de overhand krijgt, ontstaat er toch een probleem. Het Europese project met al zijn abstracties en astronomische getallen is voor burgers een ingewikkeld verhaal. Juist dan wordt van verantwoordelijke politici leiding verwacht om dat verhaal uit te leggen en dat zij niet meedoen aan makkelijke retoriek over het allesoverheersende Europa.

Dat het kabinet nog een lange weg te gaan heeft, blijkt uit een rondgang langs buitenlandse ambassadeurs in Nederland die deze krant heeft gemaakt. Hun beeld over Nederland is dat van een land dat steeds meer op zichzelf is gericht. In de woorden van de Britse ambassadeur Paul Arkwright: „Het land sluit zich steeds verder af voor de buitenwereld. En dat kan de internationale reputatie kwaad doen.” Het is ondiplomatiek heldere taal van een vertegenwoordiger van een zeer bevriend land.

Nederland is bij uitstek afhankelijk van het buitenland. Dat brengt verplichtingen met zich mee en vergt een open houding.