Oostrum, dorp van Mauro, legt schuld bij 'politici'

In Oostrum, Limburg, het dorp waar Mauro opgroeide, vindt men dat hij mag blijven. Maar hoe heeft het zover kunnen komen?

Netherlands, Oostrum, 28.10.2011 Oostrum (gemeente Venray), dorp waar de uitgewezen asielzoeker Mauro Manuel (18) acht jaar van zijn jeugd doorbracht. Vrouw hangt witte was op aan lijn bij rijtjeshuis. foto Chris Keulen

In Oostrum lappen de vrouwen zelfs de rolluiken. En mannen met kaplaarzen fietsen met een hark onder de snelbinders. De heggen zijn strak geknipt, gazonnen gemaaid. De huizen lijken allemaal net opgeknapt. Oostrum glimt en blinkt in de herfstzon. In dit dorp groeide de Angolese asielzoeker Mauro Manuel (18) op.

Noem zijn naam en niemand in het kleine Limburgse dorp, onder de rook van Venray, kijkt verbaasd op. Men volgt elke snipper nieuws over de jongen, die sinds enkele maanden in Eindhoven woont. Vrijwel iedereen in Oostrum (2.300 inwoners) vindt dat Mauro in Nederland moet blijven, omdat hij hier is opgegroeid. Dat vindt overigens driekwart van de Nederlanders ook, blijkt uit onderzoek van TNS-Nipo.

De grootste partijen in Oostrum zijn de drie coalitiepartijen, CDA, VVD en PVV, die minister Leers steunen in zijn beslissing Mauro uit te zetten – met uitzondering dan van de twee CDA-dissidenten. De PVV is de derde partij in Oostrum met 208 stemmen. Het CDA is met 283 stemmen de grootste, gevolgd door de VVD (247).

Vraag zo’n man met een hark onder de snelbinders even af te stappen en hij blijkt een kleinzoon te hebben van achttien jaar die samen met Mauro voetbalde. Van zijn kleinzoon hoorde hij dat Mauro een keurige, bedeesde jongen is.

Even verderop veegt Truus Litjens (70) de stoep van de pastorie, omdat ze er nu eenmaal naast woont en omdat ze van netjes houdt. Haar zoon (40) kent Mauro ook van voetbal. „Stuur de vlegels maar terug en laat de nette jongens blijven.” Half Oostrum kent Mauro van voetbal.

Een enkeling in Oostrum wil dat Mauro teruggaat, maar wil absoluut niet met die mening in de krant. Een oudere dame: „Als ik ergens ga wonen, dan kijk ik wel eerst of het mag.” En een man die zijn tuin schoffelt achter een hoog hek: „Hij heeft daar toch een moeder? Nou dan!”

Het zijn uitzonderingen. Meer mensen vragen zich af hoe het in hemelsnaam zover is gekomen. Varkensboer Herman Verheijen die zijn bedrijf aan de rand van het dorp heeft, kan dat uitleggen. Maar eerst zegt hij dat hij ook vindt dat Mauro niet terug kan. Hij heeft zelf twee zonen, van zestien en achttien, en hij heeft al moeite ze op het vliegtuig te zetten voor vakantie. Het idee dat hij een achttienjarige zoon voor altijd zou uitzwaaien, is ondraaglijk.

Zie je die huizen daar, vraagt hij, een stuk verderop? Die huizen liggen binnen de stankcirkel van zijn bedrijf. Die huizen mochten niet gebouwd worden. Maar ze staan er wel. Het is tegen de regels. Hij heeft er tegen geprocedeerd, hij heeft gewonnen, maar er wonen gewoon mensen in. Verheijen kan nu niet uitbreiden, terwijl dat wel nodig is.

Hij bedoelt maar, de overheid lapt de eigen regels wel vaker aan haar laars. „Om niet te zeggen: vrijwel altijd.” Mauro bleef in Nederland, terwijl dat tegen de regels was. „En nu zitten we met de gebakken peren. Dat heb je als je niet handhaaft.”

Dát gevoel wordt door veel Oostrummers gedeeld. De overheid, die is niet te vertrouwen. Ambtenaren, dat zijn luie zakkenvullers. De politiek maakt er een potje van.

Meneer Sanders loopt achter de buggy met daarin zijn tweejarige zoontje. Hij is een van de weinigen die zegt dat hij PVV stemde. Zijn vrouw is Brits, woont nu vijftien jaar in Nederland en zou niet meer in Engeland kunnen aarden. Snap je het? „Deze PVV-stemmer vindt ook dat het onmenselijk is die jongen terug te sturen.” Maar het lakse beleid, speelt Wilders in de kaart, zegt Sanders, en hij vindt dat terecht. „Als we het aan PvdA en CDA over zouden laten, modderen we jaren voort. We moeten sneller beslissen, en meteen uitvoeren. Als dat gaat lukken, hebben we dat aan Wilders te danken.”

Jac. Verhaegh is de trechter waarin alle meningen uit het dorp samenkomen. Hij is de herenkapper en hij krijgt veel Mauro-sympathisanten in zijn drie kappersstoelen. Maar ook af en toe een tegenstander. Vroeger, toen Verhaegh nog voor een baas werkte, leerde hij dat je nooit met een klant over politiek moest praten. Dus als een klant vindt dat Mauro terug moet, praat hij er soepel om heen. Van hem mag Mauro blijven.

Voorzichtig scheert hij met de tondeuse de nek van een klant. „Ik vraag me af”, zegt de klant, „waarom de dames en heren politici zo verschrikkelijk lang over die jongen moeten emmeren. Zijn er geen belangrijker zaken? We hebben toch een eurocrisis?”

Verhaegh snapt de argumenten van de tegenstanders wel. „Als deze man mag blijven, staan er straks achthonderd anderen op de stoep. Waar leg je de grens?” Dat vindt hij best een goeie vraag. „Kijk naar dat meisje uit Afghanistan. Toen die mocht blijven, staken een hoop anderen hun vinger op. Als iedereen zich aan de regels zou houden, werd het wel wat makkelijker.”