Onderhandelen met China: het Hu en wat

Elk tijdperk heeft zijn eigen angsten. En zijn eigen droomoplossingen. De Fransen waren in de jaren zestig van de vorige eeuw bang voor de Amerikanen en hun cultuur (of juist het gebrek daaraan) en zochten hun heil in Europa. De twee decennia daarna was Europa bang voor de Japanse exportmacht en zocht het zijn heil in meer eigen samenwerking. In de jaren negentig, na de val van de Berlijnse Muur, was niemand meer bang, nergens voor. Toen begon de fenomenale schuldexplosie.

En nu is Europa verenigd in zijn angst voor een euro-echec en droomt het van Chinees geld om de muntunie te redden. Op hun beurt zijn Chinese regeringsvertegenwoordigers nooit te beroerd om verwachtingen te wekken. Premier Wen Jiabao toerde vorig jaar een paar maanden na de eerste reddingsactie voor Griekenland langs Europese hoofdsteden en de boodschap was: China blijft Griekse en andere obligaties kopen. Europa haalde opgelucht adem. Na de eurotop van woensdag is het echt serieus geworden: president Sarkozy belde meteen zijn tegenvoeter Hu Jintao. Directeur Klaus Regling van het Europese reddingsfonds EFSF ís al in China.

Iedereen kijkt verlekkerd naar de grote getallen van China. Eerst was het alleen maar de koopkracht van de Chinese bedrijven. Twee wetenschappers van de Erasmus Universiteit, Bas Karreman en Enrico Pennings, voorspelden onlangs al de zevende mondiale fusiegolf. Alleen maar dankzij China.

Europa watertandt van de buitenlandse financiële reserves van de republiek China. Meer dan 2.000 miljard euro, al weet niemand hier precies hoeveel. Private en publieke investeringen spelen ons in de kaart: de overnames van Chinese bedrijven in Europa kunnen alleen floreren als de continuïteit van de euro is verzekerd.

Maar leggen Chinese investeerders ook geld op tafel, of praten zij er vooral over? En worden die investeringen om een of andere reden (tijdgebrek? complexiteit? geen politiek fiat?) nooit gedaan?

Nederland heeft inmiddels een serie gemengde ervaringen. De grote lijnen: ook Chinese ondernemingen zijn dol op koopjes en op technologie, maar zij laten een overname ook rustig lopen. De Chinese verzekeraar Ping-An dacht in 2007 zijn voordeel te doen met een aandelenpakket van Fortis. Ping-An wilde ook wel voor een vriendenprijs de helft van de Fortis-vermogensbeheerdochter kopen, maar zette niet door. De verliezen op de Fortis-aandelen bleken prohibitief. Het Chinese bedrijf XEMC kocht in 2009 de windmolenbouwer Darwind uit het faillissement van eigenaar E-concern en zette onlangs een nieuwe superturbine op een proefveld in de Wieringermeer. Autodakproducent Inalfa kwam afgelopen zomer in Chinese handen, maar het Chinese bod op kabelfabrikant Draka flopte. Een Italiaanse concurrent was doortastender.

En toevallig gisteren meldde de Zweedse autofabrikant Saab, die is genoteerd op de Amsterdamse effectenbeurs, dat twee Chinese bedrijven na lang onderhandelen de vrijwel failliete zaak willen kopen à 100 miljoen euro. Het persbericht waarschuwt wel dat (niet nader omschreven) relevante autoriteiten nog akkoord moeten gaan.

De ervaringen met Chinese financiers leveren twee conclusies op. De eerste is een open deur, maar toch: onderhandelen met Chinese geldschieters kost meer tijd dan je verwacht, zeker wanneer (geo)politieke belangen op het spel staan. De tweede is: hou daarom rekening met de kans op een teleurstelling en werk parallel aan de onderhandelingen aan een alternatief. Wat is plan B in het Chinees?

menno tamminga