'Nederland is te veel met zichzelf bezig' Nederland? 'Een provinciaals land'

De gasten maken zich zorgen. Ambassadeurs van ons bevriende landen geven ongekend openhartig te kennen dat Nederland een in zichzelf gekeerde natie geworden is. „Het is belangrijk dat Nederland naar buiten blijft kijken.”

Nederland, Den Haag, 12 oktober 2011 De ambassadeur van Pakistan in Nederland Aizaz Ahmad Chaudhry Martijn van de Griendt

Zet alsjeblieft niet, vraagt de Britse ambassadeur bijna smekend, boven dit artikel de kop ‘Britse ambassadeur waarschuwt Nederland’. En liever ook niet deze: ‘Kan de laatste ambassadeur het licht uit doen?’

Maar het punt wil Paul Arkwright wel gemaakt hebben: „Nederlanders gaan misschien wel naar het buitenland met vakantie. Maar het land sluit zich steeds verder af voor de buitenwereld. En dat kan de internationale reputatie kwaad doen.”

Dat zijn ongebruikelijk harde woorden. Voor een diplomaat. Van een bondgenoot bovendien.

De afgelopen maanden sprak deze krant met acht in Den Haag gestationeerde ambassadeurs van landen die voor Nederland relevant zijn. België wegens de geografische nabijheid, Duitsland en Groot-Brittannië als Europese grootmachten, Pakistan wegens de moslimpopulatie. Japan om zijn economische slagkracht, Afghanistan wegens de oorlog, India als een van de snelst groeiende economieën, en Israël als het enige land dat wordt genoemd in het regeerakkoord. Er gingen ook uitnodigingen naar de ambassadeur van de Verenigde Staten, maar die stond op het punt van vertrekken. En naar die van China, maar die wees het verzoek af. De hoogste vertegenwoordigers van de landen die wel wilden meewerken zijn stuk voor stuk bezorgd en verbaasd over het navelstaarderige Nederland.

Er zijn gradaties – de Belg is aanmerkelijk positiever – maar de gemene deler is dat Nederland een naar binnen gekeerd en verward land aan het worden is. Een eurokritisch land, dat daarmee de eigen economie benadeelt, een land dat ten onrechte bang is voor buitenlanders die juist nodig zijn om vacatures op te vullen, en een land waarvan politici en bevolking doen alsof het gevaarlijk is op straat.

De Israëliër Harry Kney-Tal: „Nederland kijkt vol vertwijfeling naar de toekomst en weet niet welke kant het op moet.”

De Duitser Heinz-Peter Behr: „Ik krijg de indruk dat jullie te veel met jezelf bezig zijn.”

De Pakistaan Aizaz Ahmad Chaudhry: „Overal in de wereld hielden mensen van de Nederlandse vlag. Die stond voor het oplossen van problemen, niet voor het creëren ervan.”

De Japanner Takashi Koezuka: „Het is belangrijk dat Nederland naar buiten blijft kijken.”

En de Indiase Bhaswati Mukherjee: „Ik koop op de Haagse markt mijn tomaten bij de Marokkaan, met wie ik Frans praat. Ik haal mijn kaas en olijven bij een Nederlands-Frans stel. En bij een Indonesiër koop ik mijn vis. Ik zie het probleem niet.”

Bevoorrechte positie

Diplomaten zijn professionele toeschouwers. Ze worden betaald om de sfeer te proeven en daarover thuis op evenwichtige en geserreerde wijze te berichten. Zich uit laten over de binnenlandse politiek van het gastland is niet de bedoeling. Hun werk is achter de schermen.

Neem de eerste werkdag van de Brit Arkwright en zie ook hoezeer sommige van de ambassadeurs ook verweven zijn met de Nederlandse dagelijkse politiek. „’s Ochtends was ik bij de koningin, ’s middags lunchte ik met toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen en zijn Britse ambtgenoot David Miliband, ’s avonds had ik een afspraak met Britse parlementariërs. En dat was nog maar dag één.”

De ambassadeurs zijn zich bewust van hun bevoorrechte positie als hoogste vertegenwoordiger van een bevriende natie in Nederland. En ze buiten die uit. De Israëlische ambassadeur – die de dag na het interview met pensioen ging – had met grote regelmaat een wat hij noemde ‘tête-à-tête’ met minister Uri Rosenthal van Buitenlandse Zaken.

De ambassade van Pakistan organiseert jaarlijks een hockeytoernooi met Kamerleden en ambtenaren van Buitenlandse Zaken. Goed voor de contacten. En zo kwam het dat Hero Brinkman, wiens PVV in het openbaar Pakistan een corrupt land noemt, dit voorjaar kebab met rijst at bij ambassadeur Chaudhry thuis, in de residentie. „Niet te scherp hoor”, zegt Chaudhry. „Dat zijn ze niet gewend.”

Telt Nederland mee? Voor België wel. Voor dat land is er bijna geen belangrijker land dan Nederland, in het buitenlands beleid trekken de twee bijna altijd samen op. Geen van de ambassadeurs is dan ook zo enthousiast over het kabinet als de Belgische.

Voor Pakistan – die hier „tekenen van islamofobie” constateert – komen eerst de buurlanden, zegt ambassadeur Chaudhry: India, China, Iran en Afghanistan. Dan de wereldmachten VS, Rusland, het Verenigd Koninkrijk, Japan, Duitsland. Op de derde rang zit de Europese Unie – en daarmee België – en Italië. „En daarna komt de tweede categorie in Europa. In die categorie zit Nederland.”

Nederland stond jarenlang bekend om zijn blik naar buiten. Stónd, want de ambassadeurs constateren dat dit veranderd is. Maar waar Nederland dan precies moeite mee heeft, daarover heerst verwarring.

Nederlanders zijn kritisch over Europa, begint de Duitser Behr, maar dat hoeft niet negatief te zijn. Deze „euroscepsis” kan een beter functionerend Europa tot gevolg hebben. Mits het maar niet doorslaat naar klagen om het klagen. Dat zou contraproductief zijn. Het is überhaupt een kwestie van volksaard, denkt de Duitser. „Nederlanders zijn over alles kritisch.”

De Brit Arkwright ziet zowel politieke als economische gevaren van het gegeven dat Nederland in zichzelf gekeerd is. Volgens hem bestaat de perceptie bij organisaties als de VN, de EU en de NAVO dat „de Nederlandse blik naar buiten niet meer zo vol vertrouwen is”. Het gevaar daarvan? Het kan geld kosten. En: „Er is een risico dat een land dat eerst beschouwd werd als een betrouwbare internationale bondgenoot, nu minder als zodanig wordt gezien.”

Ali & Najiba

De ambassadeurs zoeken de oorzaken van de Nederlandse verwarring in een potpourri van historische gebeurtenissen (de dood van Fortuyn en Van Gogh, de opkomst van Wilders), economische problemen (de eurocrisis) en sociale en demografische eigenaardigheden. Dit zegt de Israëliër Kney-Tal: „Er is een crisis in de Nederlandse familiestructuur ontstaan.” Als hij met zijn kleinkinderen naar de Efteling gaat, ziet hij kinderen met één ouder. „Zelden met allebei.” Dat doet hem denken aan de Verenigde Staten, aan de armste bevolkingsgroepen daar. Aan zwarte Amerikanen. Kney-Tal maakt zich zorgen over de afbrokkelende familiewaarden in Nederland. Minder religie in de maatschappij, meer druk op familiewaarden. „Dat de kerken leegstaan of worden gebruikt voor een concert, dat zegt iets.”

Van Henk en Ingrid, de door de PVV bedachte ‘ijk-Nederlanders’, hebben alleen de Belg en de Brit gehoord. Als hij dan snapt wie en wat er mee bedoeld wordt, begint de Afghaan Enayatullah Nabiel te gniffelen. Mag hij een voorstel doen? Vanaf nu, zegt hij, moeten we deze Nederlanders maar Ali & Najiba noemen.

Volgens de ambassadeurs is Henk oprecht hardwerkend en bangig voor immigranten (de Brit), behoort hij niet tot de „grachtensocialisten” (de Belg), lijkt hij op de typische Duitser (zegt de Duitser) en als hij je niet kent, wil hij ook niet met je praten (de Afghaan). Ingrid houdt het gezin bijeen maar „verknalt haar carrière voor een vent door deeltijd te werken terwijl ze denkt haar loopbaan te helpen door zich flexibel op te stellen” (de Indiase). Samen zijn ze vervreemd van de politiek en aangetrokken door Geert Wilders, daarover is iedereen het wel eens. „Ze vragen zich af wat met hun land gebeurt”, zegt Harry Kney-Tal uit Israël. „Ze weten het niet.”

Is dat een terechte vraag? „Het laat de ongerustheid van mensen zien. Iets zit ze dwars.” Of wordt tegen ze gezégd dat iets hun dwars zit? Komaan, zegt Kney-Tal. „Nederlanders zijn intelligent. Politici kapen dat gevoel en gaan ermee aan de haal. Ze zetten het in voor eigen gewin.” Heeft de ambassadeur het misschien over Alexander Pechtold? „Nee, doe nog eens een gok.” Hij heeft het over Wilders. „Ja, daarin zie je dat veranderend Nederland: toen ik hier kwam in 2005 was hij een eenmansfractie. Nu is hij in de peilingen de tweede partij van het land.” Is Kney-Tal het met Wilders eens? „Het is soms beter niet te reageren.”

Sahar en Mauro

Israël is het enige land dat genoemd wordt in het regeerakkoord, de banden moeten nog beter en Wilders is overtuigd aanhanger van Israël. Ambassadeur Kney-Tal zegt nu alleen dat die steun „aardig” is, maar „Israël niet verder helpt.” Politiek gaat ook over het sluiten van compromissen, zegt de diplomaat. „En dat doet Wilders niet.”

De politieke macht van Wilders is volgens Frank Geerkens eenvoudig te duiden – iedereen in België snapt dat hij niet in de regering zit. De Brit Arkwright ziet dat anders: „Mensen begrijpen wél dat er een soort verband is tussen Wilders en de regering. Mensen begrijpen níét dat Wilders formeel geen deel uitmaakt van die regering.”

De Duitser Behr wil het hebben over het beleid, over integratie. Het goede nieuws is dat de 24 zetels van de PVV bewijzen dat Nederland het onderwerp serieus behandelt. Maar de gedachte erachter deelt hij niet. „Jullie nemen het zo serieus omdat jullie het als een probleem zijn gaan beschouwen. Dat is het niet.” Een uitdaging wil hij het wel noemen, maar verder wil Behr niet gaan. „Het is de uitdaging immigranten de juiste middelen aan te reiken om beter te integreren.”

Er is nog meer kabinetsbeleid van het afgelopen jaar waarop de ambassadeurs onverwacht harde kritiek hebben. Bijvoorbeeld op het beleid rond minderjarige asielzoekers. Voor Sahar, het 14-jarig Afghaanse meisje uit Leeuwarden, heeft minister Leers (Inmigratie en Asiel, CDA) na flinke politieke consternatie een uitzonderlijke bepaling bedacht zodat ze in Nederland mocht blijven. Voor de Angolese jongen Mauro (18) lijkt er geen verblijfsvergunning in te zitten. Ambassadeur Enayatullah Nabiel zegt dat „iedereen van de ene naar de andere plek toe zou moeten kunnen verhuizen. Deze planeet hoort toe aan alle menselijke wezens.” En daarom, zegt Nabiel, is Nederland „erg provinciaals bezig”.

Nog een laatste kritiekpunt dan. Iets eigenaardigs heeft de Israëlische ambassadeur opgemerkt aan de Nederlandse verzorgingsstaat. Als hij ziek is, wil hij een dokter zien. Kney-Tal: „Dan bel ik de dokter, maar krijg ik de assistent aan de lijn. Ik beschrijf de symptomen waarop zij zegt: drink maar wat thee en kom over twee dagen anders eens langs.” Waarom zegt ze dat, vraagt hij retorisch. „Omdat het in Nederland makkelijk is thuis te blijven van je werk. Je belt je baas, zegt dat je ziek bent en je blijft thuis. Op de ambassade hier is zo een aantal mensen al maanden afwezig. I hate this system.”

Maar. Na alle negatieve constateringen zijn er ook complimenten. De Japanner is nog steeds overdonderd door de steun die zijn land kreeg na de aardbeving van maart. De Indiase had hier nog nooit het gevoel dat ze haar tas goed moest vasthouden uit angst voor dieven. En de Pakistaan roemt onze duidelijkheid. „Ik neem niet te veel van jouw tijd, jij niet te veel van de mijne.”

De Belgische ambassadeur Geerkens, die vóór Nederland in vier buitenlanden woonde, verpakt zijn advies diplomatiek als compliment. „Wij Belgen kunnen van Nederland leren communiceren. Hoe we een boodschap overbrengen, hoe we moeten praten. Maar wat Nederland van ons kan leren is luisteren.”