Neanderthalers hadden korte beentjes om bergop te lopen

Neanderthalers hadden verhoudingsgewijs kortere benen dan de moderne mens, omdat ze in berg- en heuvelachtig terrein leefden (Journal of Physical Anthropology, novembernummer). Tot nu toe ging men ervan uit dat Neanderthalers relatief korte (scheen)benen hadden, omdat ze overwegend in koude streken leefden. Met hun gedrongen gestalte hadden ze zich aan de lage temperaturen van hun omgeving aangepast. Ze moesten er volgens de heersende theorie wel een prijs voor betalen: ze liepen minder efficiënt dan moderne mensen.

Onderzoekers wijzen er nu op dat bij het eerdere onderzoek alleen naar vlak terrein is gekeken. Maar Neanderthalers leefden volgens hen vooral in berg- en heuvelachtig terrein. En uit hun nieuwe berekeningen en modellen zou blijken dat in die omgeving Neanderthalers met hun korte onderbenen helemaal niet in het nadeel waren. Ze liepen bergop minstens net zo makkelijk en efficiënt als moderne mensen.

De onderzoekers hebben hun theorie getest door ook de lengte van de onderpoten van hoefdieren te bestuderen. Een verantwoorde keuze, volgens de onderzoekers, omdat schapen, geiten en gazellen zowel in warme en koude als in vlakke en heuvelachtige omgevingen leven. Verder gelden voor hen bij het lopen dezelfde mechanische principes als bij mensen, omdat hun pootgewricht vrijwel hetzelfde werkt als een kniegewricht. En wat blijkt? Hoefdieren die in de bergen leven hebben kortere onderpoten dan hun soortgenoten op vlak terrein. Temperatuur lijkt geen rol te spelen, zie bijvoorbeeld de Chiru (Pantholops hodgsonii), een antilope die in de koude vlakten van het Tibetaanse Plateau leeft en relatief lange onderpoten heeft. Theo Toebosch