Libiërs van de Rebellenclub

Tot begin deze maand kon je doodeenvoudig de Libische grens passeren. Dat is voorbij. Het grenskantoor in Ras Jdir wordt beheerd door Motasem. Met hem moest je oppassen. Je zag aan hem dat hij bloedlink kon zijn, schrijft Robbert van Lanschot.

De meneer van de paspoortcontrole in Ras Jdir, aan de Tunesisch-Libische grens, kijkt me aan met doffe ogen. Je hebt een visum nodig, zegt de man, gekleed in een blauw uniform. We zitten in zijn kantoortje – een schrijftafel, een metalen kast en twee stoelen. Ik moest „even meekomen”.

Het is altijd leuk, een meneer met een beetje gevoel voor humor. Natuurlijk heb je geen visum nodig! Libië is een chaos. Alle ambtelijke richtlijnen zijn in de prullenmand gegooid. Zelfs in Amsterdam wist iedereen me al te vertellen dat je geen visum nodig had. „Ach nee joh, die grens loop je gewoon over.” Dat is een van de positieve kanten van landen die in chaos zijn.

„Je hebt een visum nodig. Je moet terug naar Tunis.” Met zijn vingers trommelt hij zachtjes op het bureaublad. Een vlieg trippelt over de kaft van mijn paspoort. „Je zou het eventueel ook op het consulaat in Sfax kunnen proberen. Dat ligt minder ver weg. Of ze daar visa afgeven, weet ik niet.”

Heen en terug naar Tunis is vijftienhonderd kilometer. In zo’n collectieve taxi zou je er twee dagen over doen, plus nog één of twee dagen, misschien wel meer, voor de visumformaliteiten – en dat voor zo’n stom stempeltje.

„Je hebt bovendien een sponsor in Libië nodig. Zonder sponsor geen visum. Heb je een sponsor?” Natuurlijk heb ik die niet. Sponsors, dat was iets uit de verschrikkelijke tijd van Gaddafi. Toen moest je, om het land binnen te komen, een uitnodiging hebben van – laten we zeggen – het Nationale Comité voor de Turnsport, of van een Instituut voor Metallurgie.

Je mag de grens toch gewoon over?, probeer ik.

„Tot gisteren kon dat wel. Maar sinds vanochtend niet meer. Als je wilt, kunnen we Tripoli bellen. Je was toch journalist, hè? Misschien dat ze nog een uitzondering willen maken.” Hij pakt zijn mobieltje en toetst zorgvuldig een lange reeks cijfers. Tripoli neemt niet op. „Straks probeer ik het nog een keer. Je kunt hier blijven.”

Een oud mannetje komt gele thee brengen. De thee is niet lekker. Ik probeer te lezen, maar het lukt niet. Dit kan gewoon niet waar zijn! Hoe moet ik dit allemaal later uitleggen? Niemand zal me geloven. Een beetje journalist, zelfs een freelancer als ik, komt met een goede babbel elke grens over. Het is een kwestie van lef hebben, desnoods met een stapeltje bankbiljetten dat ‘per ongeluk’ in het paspoort zit. Tu no tienes cojones, heeft mijn Colombiaanse vrouw me al vaak voorgehouden.

„Jij komt uit Holland, hè? Problemen, hè?” In de deuropening staat een man van een jaar of vijfendertig, met het gezicht van een kooivechter, gekleed in militair uniform, maar op blote voeten. Hij geeft me een hand – een ingewikkelde gangsta handshake, die door mijn onkunde helemaal misgaat.

‘Ik ben Motasem. Ik ben de commandant hier in Ras Jdir. Ik hoorde dat je een probleem hebt.” Zijn ogen bestuderen mij. „Holland is goed! Eerder dit jaar reisde ik door Europa. Engeland ook goed. Noorwegen ook goed. Mooie vrouwen daar. Maar Holland, dat is het helemaal! Amsterdam! Al die coffeeshops, man. Dagen zitten blowen!” Hij geeft me een klap op mijn schouder. Ik verzeker hem dat ook ik heel erg van blowen houd. Met de vingers aan de mond doen we allebei alsof we heel diep inhaleren. We schieten in de lach. De meneer van de paspoortcontrole kan dit niet volgen.

„Ik ga jou helpen, man”, zegt Motasem en hij is weer weg. De meneer van de paspoortcontrole pakt opnieuw zijn mobieltje. Deze keer heeft hij succes. Terwijl hij geroutineerd en razendsnel door mijn paspoort bladert, doet hij verslag. La, zegt hij. Hij luistert onderdanig naar de andere kant van de lijn. „La, la. Hollandiya. La, la, la.” La is Arabisch voor nee. „Je moet naar Tunis.”

Ik blijf aan de grens. Toen ik eerder op de dag door het stukje niemandsland vanaf het Tunesische naar het Libische grenskantoor liep, zag ik op de veranda van een administratief gebouw zo’n 150 Somaliërs zitten. Ze bivakkeerden daar onder erbarmelijke omstandigheden. Op veel mededogen hoef je in Ras Jdir niet te rekenen.

Je moet mijn kantoor nu verlaten, zegt de paspoortman. Op de gang staat een rij mensen te wachten.

Ik drentel rond op het terrein. Onder een boom zit een andere Europeaan. We raken aan de praat. Hij heet Robert en is Duitser. Hij werkt voor een internationale hulporganisatie. „Ik begrijp er niets van. Eergisteren kon ik de grens nog probleemloos over. Maar nu willen ze opeens een visum zien. Ik woon nota bene in Tripoli. Weet je, gisteren waren die mensen in die blauwe uniformen van de paspoortcontrole er nog niet. Er liepen de afgelopen tijd alleen rebellen rond. Die wuifden ons altijd meteen door.”

De oude garde was teruggekeerd. Die wist nog precies de weg. Je merkte het aan de trefzekerheid waarmee ze naar haar spullen greep – het laatje met carbonpapier, de pot stempelinkt linksboven op de plank. De oude garde was weer de baas, maar toch ook weer niet. De grenspost was immers in handen van Motasem en zijn mannen. Dit is Berbergebied. Met die Motasem moest je oppassen. Je zag aan hem dat hij bloedlink kon zijn.

Tegelijkertijd hadden de mensen van de Immigratiedienst, zoals de hele Libische ambtenarij, een zekere trots. Leuk, die rebellen, maar Libië moet weer worden geleid. In Europa denken we dat alles in de tijd van Gaddafi slecht was, maar dit beeld klopt niet. De overheid had haar zaakjes behoorlijk op orde. Het wegennet was prachtig, de elektriciteitsvoorziening prima en de economie liep als een trein. Meer dan een miljoen arbeidsmigranten hadden hier een baan. Op de ranglijst van landen met criteria als levensverwachting, alfabetisme, inkomen en levenstandaard scoorde Libië beter dan Saoedi-Arabië en Brazilië. Het scoorde zelfs beter dan vijf Europese landen.

Amsterdam, blowen, man!, roept Motasem uit, tegen niemand in het bijzonder. Opeens grijpt hij me vast. Hij plaatst een keiharde klapzoen op mijn linkeroor – een explosie. Aaauw! Ik sta te tollen. Links hoor ik niets meer. Motasems mannen barsten in lachen uit. Deze truc kennen ze. Pas na een minuut of vijftien beginnen aan de linkerkant weer wat geluiden door te dringen. Tot ’s avonds laat danst in mijn hoofd een hoge zoemtoon. Welkom in het nieuwe Libië.

Roberts assistent weet te melden dat de rebellenleider van Zlitan ons wil helpen. Hij is een van de machtigste mannen binnen het Libische verzet. Roberts organisatie heeft hem in de afgelopen maanden medische hulp gegeven voor de lokale bevolking. Met onze paspoorten loopt Motasem naar het gebouwtje van de Immigratiedienst. Na een kwartier komt hij terug. In onze paspoorten staat een iel, rood stempeltje – niet echt een visum. Als we wegrijden, roept Motasem ons triomfantelijk na: „fuck Tripoli!”

Toen ik door het land reisde, bespeurde ik vele fricties tussen het Ancien Régime en de rebellen, die hun wapens nog niet hebben ingeleverd. Niet alleen op het nationale politieke toneel in Tripoli willen de rebellen zich doen gelden. Het zal overal gebeuren – in steden, dorpen en oases, op gemeentehuizen, archieven, scholen, kadasters en, inderdaad, op grenskantoren. Het wordt een lange, vermoeiende strijd tussen de mannen van de stempelkussens en de dossierkennis en de jonge honden van het verzet.

Robbert van Lanschot is journalist.