Jutten langs de Theems

Archeologie Er wonen al duizenden jaren mensen langs de Theems. Een groot onderzoeksproject zoekt naar hun sporen.

Vijf zwarte aalscholvers zitten op hun gemak op een dukdalf in de Theems. De Tower Bridge en het drijvende museum HMS Belfast vormen hun natuurlijke omgeving. “Het bewijs dat de Theems weer een schone rivier is”, zegt archeoloog Gustav Milne van University College of London.

Maar hij is hier niet voor de vogels. Milne leidt het Thames Discovery Programme, een driejarig project waarbij vrijwilligers archeologische vondsten langs de oevers van de Theems in kaart brengen. Het project werd in oktober 2008 gelanceerd. Het academische gedeelte ervan wordt dit najaar afgerond, maar de vrijwilligers zullen ook in de toekomst nog worden begeleid.

Voor Milne is de rivier met zijn vooroevers één grote archeologische vindplaats. “Een die loopt van de prehistorie tot aan de moderne tijd.” Niet voor niets zei Labour-politicus John Burns in 1929, toen iemand een volgens hem ongunstige vergelijking maakte tussen de Theems en de Amerikaanse Mississippi: “De Theems is vloeibare geschiedenis.”

Al millennia lang is de rivier een levensader. Tijdens de steentijd was de Theems een bron van vers water en voedsel voor jager-verzamelaars. Voor de Romeinen vormde de rivier eerst een obstakel, waar ze voor de verovering van Brittannië stammen als de Catuvellauni en de Atrebates moesten verslaan. Later werd hij voor hen een strategische en economische waterweg. In de Middeleeuwen bleef de Theems een belangrijke handelsroute. En daarna nam de bedrijvigheid op en langs de rivier alleen maar toe. Tijdens de Industriële Revolutie werden aan de oever de eerste stoomschepen gebouwd. In de Eerste en Tweede Wereldoorlog hoorde de Theems tot de vitale verdedigingslinies van Engeland. De laatste decennia zijn de vervuilende industrieën rond de rivier verdwenen en heeft hij door het toerisme een nieuwe economische betekenis gekregen.

Over de historische betekenis van de rivier is iedereen het wel eens. Alleen ging men er lang van uit dat door de stroming en de getijden de meeste sporen van die lange geschiedenis waren weggespoeld. Milne: “Al vanaf de zeventiende eeuw worden in en rond de Theems archeologische vondsten gedaan, maar iedereen dacht dat het alleen maar losse vondsten waren en dat er geen stratigrafie meer was te beschrijven.” Hij dacht er anders over en ging tussen 1993 en 1999 met studenten en lokale erfgoedverenigingen een uitgebreide veldverkenning doen van de vooroevers, het niet beklede gedeelte van de oever tussen de waterlijn en de vlakke bodem. Daarbij toonden ze aan dat er wel degelijk veel intacte archeologische vindplaatsen zijn. “English Heritage heeft daarna bepaald dat ook bij bebouwing en ontwikkeling van de (voor)oevers van tevoren archeologisch onderzoek moet worden gedaan.”

Het Thames Discovery Programme is een voorzetting van het werk in de jaren negentig, zegt Milne. Verspreid over ongeveer twee keer veertig kilometer rivieroever, van Richmond Palace tot aan Bexley, hebben hij en zijn mensen de afgelopen drie jaar twintig vindplaatsen onderzocht. We gaan naar de vindplaats Custom House in de City, “het vroegere hart van de middeleeuwse haven van Londen”, genoemd naar het douanekantoor dat, in verschillende gedaanten, al sinds 1271 min of meer op dezelfde plek staat. Volgens Milne is Custom House een goed voorbeeld van wat er bij de rivier is te vinden. Laarzen en stevige schoenen gaan aan.

Pijpesteel en steekkar

Een glibberige stenen trap met twee relingen voert naar de vooroever. Het is laag tij en tussen de rivierstenen aan de oppervlakte liggen een paar middeleeuwse scherven en de resten van een pijpesteel. Verderop een fragment van een Romeinse dakpan – ook niet vreemd, want in de Romeinse tijd waren het Forum en de thermen hier in de buurt. Een steekkarretje, half weggezonken in de modder, herinnert aan de tijd van de negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse pakhuizen op de kade. Tientallen oesterschelpen zijn een overblijfsel uit de tijd dat van 1873 tot 1982 in Old Billingsgate Market, naast het Custom House, de vismarkt huisde. “Verder stroomopwaarts, bij Chelsea, hebben we de schelpen van een uitgestorven soort tweekleppige uit de Nieuwe Steentijd gevonden.”

Vandaag heeft Milne echter geen oog voor losse vondsten. Hij kijkt naar de vaste structuren zoals een verhoogd betonnen pad dat ooit toegang tot de rivier verschafte, maar dat nu vervallen is. Aan dergelijke structuren kan hij zien hoe snel de erosie gaat en vindplaatsen wegspoelen. “Toen ik hier in 1995 voor het eerst kwam, was hij nog intact. Nu zijn al hele stukken ingestort en weggespoeld.”

Bij het water van de rivier komen de resten van een eerder exemplaar van hout tevoorschijn. Dat was in ieder geval breder, constateert Milne. “Grote kans dat hieronder weer een andere zit. Mogelijk middeleeuws. We graven hier nauwelijks op. We laten de rivier het werk doen.”

Voor Milne, 64 jaar oud, is de Theems al bijna veertig jaar zijn belangrijkste werkterrein. Een typisch geval van serendipiteit, zegt hij. Terwijl zijn broer als pianist bij de groep Mungo Jerry wel het gedroomde succes in de popmuziek had, werkte hij in 1973 in een Londense muziekgroothandel. Daarnaast deed hij in de weekeinden als vrijwilliger mee aan een opgraving van onder meer een Romeinse kademuur. “Heel toevallig hierboven op de oever bij Custom House.”

Aan het eind van de zomer werd hij ineens ontslagen bij zijn werk, maar omdat de meeste studenten bij de opgraving net weer met hun colleges moesten beginnen, kreeg hij met een paar anderen een contract voor twee weken om de opgraving af te maken. Aan het einde van die twee weken werd het commerciële opgravingsbedrijf van het Museum of London opgericht. “Ze hadden dringend mensen nodig, wij kwamen net van een opgraving en hadden ‘ervaring’ en dus werd onze ploeg zonder verdere sollicitatiegesprekken en cv-onderzoek aangenomen.”

Vanwege de opkomende projectontwikkeling van de Theems-oevers bleef Milne de daaropvolgende twintig jaar vaak werken bij noodopgravingen langs de rivier. In de tussentijd haalde hij in de avonduren een academische graad in de archeologie en schreef hij een doctoraalscriptie over oude haveninstallaties. In 1991 werd hij universitair docent aan University College London en bedacht hij dat de oevers voor zijn studenten een goed terrein waren om veldwerkervaring op te doen.

Tijdens het huidige project houden ze niet alleen de erosie bij bekende vindplaatsen in de gaten, vertelt hij. “We proberen tegelijk nieuwe vindplaatsen te ontdekken.” Een van die nieuwe vondsten deden ze vorig jaar bij Vauxhall in Zuid-Londen, in de vooroever bij het gebouw van MI6, de Britse geheime dienst. “We hadden de politie van tevoren om toestemming voor onze aanwezigheid gevraagd, maar blijkbaar de verkeerde, want plotseling stonden er agenten voor onze neus met de vraag wat we hier deden.”

Milne en zijn mensen waren druk bezig om een houten structuur, die bij extreem laag tij was komen bloot te liggen, te onderzoeken en in te meten. C14-datering van houtmonsters maakte duidelijk dat een groepje palen, sommige met een doorsnede van dertig centimeter, bijna zevenduizend jaar oud waren. “Het is de oudste houten structuur die tot nu toe bij de Theems is gevonden. Mogelijk is het een platform geweest voor een gebouwtje. Maar of het een tijdelijk onderkomen voor jager-verzamelaars was of iets religieus weten we niet. Het lag in ieder geval indertijd op de top van een eilandje in de rivier en was markant.”

Milne wijst op de kademuur onder de metershoge aanlegsteiger bij de voormalige vismarkt. Die is gemaakt van bakstenen. “Aan het type metselwerk te zien zou ik zeggen achttiende-eeuws.” Onderaan de muur steken houten palen en planken uit. “Eerdere steigers gemaakt van hergebruikt hout, afkomstig van huizen en schepen. Dat maakt het lastig om zo’n steiger te dateren.” Wat de opeenvolgende steigers wel duidelijk maken is dat het peil van de rivier de afgelopen eeuwen enorm is gestegen. “De huidige kademuren zijn bij extreem hoog tij ook al te laag. Voor Custom House zie je daarom een nieuwe betonnen waterwering.”

Gerepareerde kademuur

Milne heeft vorig jaar ontdekt dat Londen tijdens de Tweede Wereldoorlog, zonder dat het grote publiek het wist, meerdere keren aan ernstige overstromingen is ontsnapt. “Tijdens onze veldverkenningen viel het op dat de kademuur, die grotendeels uit het begin van de negentiende eeuw stamt, op verschillende plekken met beton is gerepareerd. Dat was voor ons reden om in de London Metropolitan Archives naar de archieven van de ingenieursdienst van de London County Council te zoeken.”

In het archief vonden Milne en zijn mensen de tot nu toe ongepubliceerde logboeken van een geheime reparatiedienst. “In 1930, twee jaar na een grote overstroming met duizenden daklozen en veertien doden als gevolg, was Thomas Peirson Frank benoemd tot hoofdingenieur van de County Council. Hij zag de oorlogsdreiging toenemen en bedacht dat als de riviermuren tijdens een vijandelijk bombardement geraakt zouden worden een catastrofe dreigde. Denk aan ontelbare doden in ondergelopen schuilkelders in de ondergrondse en de chaos die een ondergelopen stad met zich meebrengt.”

Peirson Frank bracht in het geheim de zwakke plekken langs de rivier in kaart en richtte vier depots in waar een team klaar stond met zandzakken, hout en canvas, om direct eventuele gaten in de kademuur te dichten. “Tijdens de Blitz in 1940 zijn ze veertig keer uitgerukt om een gat te dichten. In totaal is de kademuur tijdens de oorlog zeker 121 keer door Duitse bommen geraakt. Dankzij het goed georganiseerde werk van Peirson Frank heeft niemand ooit iets gemerkt en is het nooit op een overstroming van Londen uitgedraaid. Het heeft hem wel een ridderschap opgeleverd, maar bij de verantwoording is zijn werk in de oorlog niet genoemd.”

Milne en zijn mensen waren benieuwd of de Luftwaffe bewust de kademuur heeft proberen te raken. “Net zoals de Britten in 1943 bewust met dam busters het Ruhrgebied onder water hebben gezet. Maar het ziet er naar uit dat alle treffers toevalstreffers waren. Geen enkele Duitse aanval vond vlak voor hoog tij plaats.”

Milne tikt met zijn paraplu tegen een verdwaalde kokosnoot. “Dat soort dingen vinden we steeds vaker. Offers van Aziatische inwoners van Londen.” Verderop ligt een twee-voor-de-prijs-van-één-magnetronmaaltijd. “Daar moet ook een verhaal aan vastzitten.”

Het onderzoek naar de verhalen van de twintig onderzochte vindplaatsen heeft tot nu toe verscheidene afstudeerscripties en twee proefschriften opgeleverd. In 2012 moet zijn boek over het onderzoek klaar zijn. “Het is verder de bedoeling dat we het aantal vindplaatsen ieder jaar verdubbelen, net zolang tot alle vindplaatsen aansluiten.” Ook al voelt hij zich echt wel 64, toch heeft hij genoeg ambitie voor nog meer Theemsonderzoek. Glimlachend: “Daarna breiden we uit naar East Anglia en Kent. Is er in Nederland ook nog een rivier met getijden?”