Ik zal rustig kunnen wegglijden

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over hun laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Het is de bedoeling dat ik binnen enkele weken het leven laat. Ik heb dat uitvoerig besproken met de kinderen en mijn huisarts. Mijn conclusie is: laat me nu maar gaan, ik heb een mooi leven gehad, ’t is genoeg geweest.

„Altijd ben ik bezig geweest met werken, knutselen, tuinieren. Stilzitten was niks voor mij. Een maand of drie geleden kwam ik op bed te liggen. Zag ik de hele dag niks anders dan mijn tuin: kijk, daar is een bloempje uitgekomen, ach, daar verwelkt er één. Dan groei je vanzelf toe naar de gedachte: ik ben niet meer nodig op deze wereld, ik ben de kinderen alleen maar tot last – en dat wil ik niet, die totale afhankelijkheid past niet bij degene die ik was.

„Ik had het geluk dat mijn jongste zoon en schoondochter in het huis naast mij woonden. Ook mijn oudste zoon, die vlakbij woont, en mijn dochter uit Friesland hebben me uitstekend verzorgd. Maar zij hebben hun werk overdag en ik vond het bezwaarlijk dat ze zich dag in, dag uit om mij moesten bekommeren. Dat wilden ze niet horen, natuurlijk, maar ik voelde me nu eenmaal ongemakkelijk bij die situatie.

„Mijn vrouw is drie jaar geleden overleden na acht jaar ziekte van Alzheimer. In die jaren zijn mijn jongste zoon en schoondochter naast ons komen wonen. Mede daardoor hebben we mijn vrouw nog lang thuis kunnen verzorgen. De laatste twee jaar van haar leven verbleef ze in een verzorgingshuis. Het was vreselijk om te zien hoe stap voor stap haar geheugen, haar spraak, haar motoriek uitviel. Ze heeft lange tijd in een ligstoel doorgebracht. Met een liftje werd ze tussen bed en stoel heen en weer getakeld. Ontluisterend vond ik dat, ik kon het niet aanzien: mijn vrouw, met wie ik zoveel had gedeeld, die op geen enkele wijze nog zelfstandig kon functioneren.

„Ik zal, heeft de huisarts mij verzekerd, op een rustige manier kunnen wegglijden. Zodra ik er klaar voor ben, stop ik met de medicijnen voor m’n hart en nieren. Andere medicijnen zorgen er dan voor dat ik kalm blijf en geen pijn krijg. Aan het einde van deze week hoop ik het eindgesprek hierover te voeren met mijn kinderen en de huisarts. Dan hoor ik wel of het daarna nog een kwestie van een paar dagen, een week of weken kan zijn – dat heb ik nog niet gevraagd.

„Vanmorgen onder de douche stootte ik me ergens aan, wat flink pijn deed. Toen besefte ik: binnenkort voel ik dat niet meer, dan voel ik helemaal niks meer. Een golfje van geluk spoelde door mij heen. Ik heb last van jeuk, vooral ’s nachts, ik kan er niet van slapen. Ik voel me intens moe. Ik ben er echt aan toe dit allemaal achter mij te laten.

„Lichamelijk heb ik het zwaar op dit moment, maar tegelijk voel ik me zeer tevreden. Ik ben niet angstig voor wat komen gaat, ik voel me totaal niet opstandig. Ik ben blij met het bezoek dat dagelijks langskomt. Wanneer ik alleen ben, lig ik een beetje te peinzen over m’n leven en over de kinderen en kleinkinderen die allemaal goed zijn terechtgekomen. Het is goed zo.

„Ik ben opgegroeid in de Nederlands-hervormde traditie. Ik was ooit, omstreeks m’n 20ste, de jongste ouderling van Nederland. Later heb ik me aangesloten bij de zevendedagsadventisten. Daar ben ik opgestapt, meer dan vijftig jaar geleden alweer, toen een voorganger er vandoor ging met geld en een jongere vrouw van onze afdeling. Dat heeft me voorgoed genezen van het instituut kerk. Het zijn allemaal machtsbolwerken die angst verspreiden om mensen in hun greep te houden – de katholieke kerk net zo goed als moslimgemeenschappen. De Bijbel is voor mij een boek van hoop en liefde, niet van hel en verdoemenis.

„De vraag wat hierna komt, houdt me niet bezig. Er zal iets zijn – dat voel ik. Ik kan me niet voorstellen dat alle kennis en ervaring die ik in mijn leven heb verzameld bij mijn dood voor de eeuwigheid verloren gaat. In mijn ogen maakt de geest van een mens deel uit van een groter geheel, van een andere dimensie, die wij als mens niet kunnen waarnemen. Ik denk dat die te mooi en te groot is om ons een voorstelling van te kunnen maken. Echt contact met de andere kant is er nooit geweest, dus we kunnen er alleen naar gissen. Aan dergelijke fantasie wil ik niet meedoen, uit respect voor het Grotere, of het Hogere, of hoe je het noemen wilt. En mocht straks blijken dat er helemaal niks is: ook goed, niks is niks – het zal me verder niet raken dan.”

Tekst & foto’s Gijsbert van Es

Reactie: laatstewoord@nrc.nlTwitter: #hetlaatstewoord