'Ik voel me eindelijk begrepen'

In Parijs kuste schrijfster Sophie van der Stap vele minnaars. Ze schreef een essay over haar innerlijke zoektocht. „Ik was een narcist.”

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, Lux, Lunchen met, Sophie van der Stap, Amsterdam, 25/10/2011

Een jonge man en een meisje kussen elkaar. Ze staan in een nis op de eerste verdieping bij Gebroeders Niemeijer, een ambachtelijke bakkerswinkel op de Nieuwendijk in Amsterdam. Het brood wordt er gebakken met Franse bloem, het heet pavé, batard of fougasse. Het meisje zet haar gympen op zijn leren schoenen en hij danst haar rond. Net als ik haar heb herkend als Sophie van der Stap, met wie ik over een kwartier een lunchafspraak heb, hoor ik hem bestellen. In het Engels van een Fransman: twee latte, twee groene thee, twee chocoladecakes. Ze luncht met hem.

Sophie van der Stap (28) werd op slag beroemd met haar eerste boek Meisje met negen pruiken. Ze schreef het toen ze 21 was en er een agressieve kanker in haar longen bleek te zitten. 54 weken lang kreeg ze chemotherapie en bestraling. Met pruiken bedekte ze haar kale ‘kankerkoppie’ én haar zo plotseling verkregen identiteit van patiënt. Met elke pruik, zo schreef ze, behandelden mensen haar als een ander mens, en dus voelde ze zich ook negen anderen. Het boek is al aan 18 landen verkocht, in Duitsland wordt het nu verfilmd. Begin dit jaar verscheen haar eerste roman En wat als dit liefde is, ze heeft een column in Avantgarde, schrijft een rubriek voor nrc.next en ze heeft het essay geschreven voor de maand van de spiritualiteit (november). Buiten spelen, heet het, ze zal het morgen presenteren in de Rode Hoed.

Op de afgesproken tijd komt Sophie van der Stap bij mij aan tafel zitten, één verdieping lager. Bruine ogen, pluizige grijze trui, volle rode mond die Elvis-achtig scheef is als ze lacht. De Fransman blijft in de nis. Ik hoef me niet bezwaard te voelen, zegt ze. Hij is aan het werk. Hij is ook een écrivain, een schrijver.

Ze is tien dagen over uit Parijs. Drie jaar geleden is ze er gaan wonen, omdat ze zich, zegt ze, niet meer thuis voelde in haar leventje in Amsterdam. Ze werd er geboren, aan de Herengracht. Ging er naar school, naar het Barlaeus Gymnasium, studeerde er drie jaar politicologie. Een grachtengordelmeisje, noemt ze zichzelf. Een zondagskind. Met een drie jaar ouder zusje, een vader die software voor juristen ontwikkelt en een moeder die nu in het ouderlijk huis een bed & breakfast runt. Aan haar schooltijd heeft ze idyllische herinneringen, zegt ze. „Zo intiem, dat gebouw, de 600 leerlingen, onze baldadigheid. Er waren twee soorten kinderen; die van academische ouders, en de troubled kids, van artistieke ouders met problemen.” En zij paste er precies tussenin.

Ze leefde altijd al alsof ze voelde dat er iets te gebeuren stond. „Haastig. Altijd twee minuten in één proppen. Een stuiterballetje. Alsof ik verwachtte dat het elk ogenblik over kon zijn.” Haar ziekte maakte geen einde aan haar leven, maar haar haast werd er niet minder om. Eenmaal ‘schoon’ verklaard door de doktoren, reisde ze via Buenos Aires, New York, Hong Kong de wereld over. Joeg er in een jaar een ton doorheen, de opbrengst van haar boek. Ze hief zelf haar leven in Amsterdam op. Het was er „te routineus, te ontdekt, te gemakkelijk misschien ook”. Hier was ze een grote vis in een kleine kom, in Parijs zou ze slechts een „anonieme natgeregende regenjas” zijn.

Minnaars

In Parijs woonde ze op evenveel plekken als ze minnaars had. Studeerde Frans aan de Sorbonne en ook daar verkeert ze in het gezelschap van de intellectuele elite, alleen spreken die nu Frans. Ze krijgt er voorrang bij populaire restaurants en ze heeft een agent die alles voor haar regelt. Ze schat haar bekendheid daar op ongeveer 1,3. Waarbij 1 heel bekend is, en 2 bekend voor één dag. Droeg ze in Nederland al graag jurkjes van ontwerpers als Jan Taminiau en Claes Iversen, in Parijs werd het meer Chanel. En tegenwoordig hoeft ze de geleende jurken niet meer daags na het feest terug te brengen, maar soms pas na een week. „Je krijgt ook steeds leukere cadeautjes.” Sophie is een Chanelmeisje, werd er geschamperd in Nederland. Onzin, vindt zij. „Het was de mensen van Chanel opgevallen dat ik hun merk graag droeg. Ze zeiden: we vinden jou leuk. En ze vroegen of ik hun égérie wilde zijn, hun rolmodel. We hebben afgesproken dat ik iets van Chanel draag als ik pers heb.” Ik wijs naar haar grijze trui. Ze aait erover. „Chanel, ja.”

In haar essay Buiten Spelen gebruikt ze de vissenkom als metafoor voor het ‘sociaal begrensde klimaat’ waarin ieder mens wordt geboren. En in die kom, schrijft ze, zwemt steeds dezelfde mensensoort. In haar geval zijn dat geen zwervers, tandartsassistenten of advocaten. Wel: filosofen, acteurs, modellen, succesvolle en mislukte kunstenaars. De vissen kortom die horen bij die laag van de bevolking die toegang heeft tot „champagne, Sartre en foie gras”. Het maakt niet uit wáár ze woont; haar vissenkom bevat overal dezelfde vissen. „Dat praat, lacht en vrijt toch makkelijker.” Ze schrijft: „Wel of geen Parijs. Ik ben een grachtengordelmeisje.”

Eenmaal tegenover Sophie van der Stap, aan het tochtige tafeltje bij de deur, ontspint zich een gesprek over vissenkommen. Kommen waarin je links en rechts kunt zwemmen, uit het raam kunt kijken, maar niet uit kunt of toch wel. Als ik me niet vergis, raakt zij ook halverwege haar draad kwijt.

Dus even terug naar het begin. De opdracht om voor de maand van de spiritualiteit een essay te schrijven, was echt iets voor haar. Vond haar literair agent, en vond ze zelf. „Het boeddhisme heeft me altijd geboeid. Vanaf mijn veertiende wilde ik al naar Tibet, mediteren, de Dalai Lama ontmoeten. Op mijn achttiende ben ik erheen gegaan, met een gezelschap gepensioneerden.” Haar interesse werd gewekt door Kuifje in Tibet, en het boek Siddhartha van Hermann Hesse, over de spirituele zoektocht van een jongeman.

Het essay heeft ze aangegrepen om een zoektocht te doen „naar en in zichzelf”. Ze was, zegt ze, ontevreden over zichzelf en het leven dat ze leidde in Parijs. „Achteloos. Altijd meegaan met de dingen die op me afkwamen. En-en-en in plaats van of-of.” Vier telefoonnummers, huissleutels, minnaars. Dat niet willen kiezen, het jezelf als middelpunt van alles nemen, maakt haar tot een kind van haar generatie. „Altijd alle opties en exits openhouden.”

Ze kuste meer Fransmannen dan er in haar vissenkom pasten, zegt ze. Ze wilde niet tussen hen kiezen, en dus hield ze ze voor elkaar geheim. Ze stopte ze in de gangkast, zoals ze schrijft. In haar essay gebruikt ze de Franse minnaars als metafoor. Elke minnaar verleent haar een andere identiteit. Zoals vroeger elke pruik haar een ander meisje maakte.

De Fransman die ze Miljonair noemt, leert haar dat heel rijk zijn een hoop geld kost. Geen truitjes van H&M meer maar alles „100 procent kasjmier”. Met de Spirituele minnaar krijgt ze zelf ook een spiritueel randje. De derde minnaar, de Dandy, neemt ze om het fladderen in de liefde af te leren. Via hem verkeert ze in de wereld van het oude, Franse geld. Een man die liever verhongert dan dat hij zich zou vergiftigen met middelmatig of opgesmukt eten.

Boterham met kaas

Meer dan een kopje thee kan ik niet aan haar kwijt. Ik vraag dus maar wat ze lekker vindt. Ze eet het liefst puur en biologisch. Ze kookt graag zelf. Veel groente, vis, weinig vlees, nauwelijks koolhydraten. „Van een boterham met kaas zie ik de voedingswaarde niet. Dus eet ik het niet. Voorverpakte broodjes in het vliegtuig? Nee, dank je.” Ze eet heus wel een brownie, zoals net, maar verder is ze voorzichtig met suiker, vanwege de kanker.

Terug naar de Franse minnaars. Voor haar essay heeft ze ze afgezworen. „Weg uit de verleidelijke omhelzingen van Parijs, de stilte in.” Afkicken van de ‘liefkozingen’ die ze ontving per sms, mail en whats app. Genezen van de dagelijkse dosis aandacht. Samenvallen met zichzelf. Ze noemt de Sophie van vóór en tijdens het essay een ‘narcist’, iemand die opgaat in haar eigen succesverhaal en keer op keer bevestigd en erkend wil worden. Maar wat jammer is, zeg ik, is dat ze nergens uitlegt waarom ze zoveel aandacht zocht. En als ik het vraag, zegt ze het bijna, maar nét niet. Nee, ze is vroeger niks te kort gekomen. „Het is niet om een gat te vullen. Het is om....” Ik ben een en al aandacht voor haar antwoord. Maar ze besluit dat ze het liever voor zichzelf houdt.

Haar essay is af. Maar is haar innerlijke zoektocht ten einde? Het schrijven was, zegt ze, een bewustwordingsproces voor haar. Ze heeft een transitie doorgemaakt. Ze is tevreden met het resultaat. „Hoewel ik voel dat er ergens een diepte in me zit die ik nog niet heb kunnen aanraken.” Een besluit heeft ze in elk geval genomen: haar vissenkom staat vanaf nu in Parijs. „Ik wil daar niet langer voorbijganger zijn, niet meer denken: ‘Ik ben hier tijdelijk, straks ga ik weer naar New York of Shanghai’.” Dat is alvast één exit minder. Ineens valt het kwartje, maar nu bij mij. Ze heeft een vaste vis gevonden! „Ja”, zegt ze. Ze gaat samenwonen. Nestelen, zegt ze zelfs. Met de man die nu in de nis zit te wachten. De ecrivain. Thomás heet hij. Hij is 38, heeft geen kinderen, geen ex-vrouw.

Over de ontmoeting met hem schrijft ze in haar essay: „We delen dezelfde passie (schrijven) en dezelfde narcistische blik; de wereld draait om ONS en niet andersom.” Hij is de spiegel die haar haar binnenkant laat zien. Ik zeg dat me dat ingewikkeld lijkt, twee schrijvers op één kussen. Haar boeken in achttien talen, die van hem in één. Ze lacht en vertelt over hoe dapper hij is, en over hun „mooie gesprekken”. Een schrijver is zijn schrijverschap, zegt ze. „We delen dat, wij synchroniseren. Ik heb me nog nooit zo begrepen en gezien gevoeld.”

Ze spreekt Frans met hem, uiteraard. „Soms voel ik me daardoor kwetsbaar. In het Nederlands ben ik de eigenaar van mijn woorden. In het Frans nog niet. Ik lees heel veel, ik leer steeds meer. Ik kan me uitstekend redden bij een diner. Ik durf te zeggen dat ik sommige auteurs nog niet gelezen heb. Omgekeerd kennen veel Franse intellectuelen Haruki Murakami niet.” Misschien dat zij ooit, en dan heeft ze het over jaren, zelf de overstap maakt naar schrijven in het Frans.

Op de valreep vraag ik hoe ze haar Thomas heeft leren kennen. „Op een heel mooi diner.” In juni van dit jaar. Een legendarisch diner zelfs, zoals het eens per jaar wordt gehouden in Parijs. Het diner en blanc. Twee uur van tevoren wordt de locatie per sms bekend gemaakt aan de deelnemers. Dit jaar was het voor de Notre Dame, de jaren ervoor op Place de l’Etoile en Place Concorde. Vlak van tevoren worden er picknicktafels klaar gezet. En binnen een kwartier zitten er tweeduizend in het wit geklede Fransen aan die tafels, met hun eigen picknickmanden. „Het is heel geestig, heel elitair en illegaal. Als de politie komt, wuift iedereen met witte servetten.” Daar is ze aan Thomas voorgesteld door een wederzijdse vriendin. „Sophie, écrivaine. Thomas, écrivain.” Ze gooit haar hoofd in haar nek, de eerste keer deze middag dat ze lacht. „Miljonair had me er mee naartoe genomen.”

    • Rinskje Koelewijn