Genoeg knappe vrouwen

Ronald Plasterk had zijn hoed in de trein laten liggen, maar verder was die prijs een succes. Het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH) bestond 10 jaar en wilde dat vieren met een prijs voor jong, vrouwelijk, wetenschappelijk talent. Om te voorkomen dat de jury appels met peren moest vergelijken, had het Netwerk aparte prijzen voor alfa, bèta, gamma en het biomedische gebied. Als ervaren prijsuitdeler mocht ik voor het biomedische gebied mee selecteren. Plasterk was voorzitter omdat hij in het vorige kabinet de emancipatie goed heeft bediend.

Makkelijk was het niet, die selectie van de knapste vrouwen van Nederland. Ik heb wel in jury’s gezeten met prijskandidaten die niet helemaal waren wat wij zochten, maar hier hadden wij het tegenovergestelde probleem: een overweldigend aanbod van talent en maar 4 prijzen te vergeven. Zelfs binnen het biomedische terrein zijn er vrouwen die alles weten te combineren: opgeleid tot medisch specialist, een schitterende wetenschappelijke carrière, een gezin met kinderen, en pas 35. Wij hadden moeite om iemand te kiezen, totdat Plasterk ongeduldig werd. Die moest achter die hoed aan, die in de trein was blijven liggen.

Dat vrouwelijke talent is er altijd geweest, maar lang kwamen vrouwen niet aan bod. Wel als analiste, of als ‘de vrouw van’, maar niet als hoogleraar, decaan of Nobelprijswinnaar. Een enkele geniale uitzondering – moeder en dochter Curie – wist op te tornen tegen macho-mannen en windkracht tien, maar gewone begaafde vrouwen kwamen nauwelijks aan de wetenschappelijke bak.

Daarin is langzaam verbetering gekomen. De fractie vrouwelijke promovendi en postdocs in ons biomedisch instituut is nu tot boven de 40 procent gestegen, maar de doorstroming naar topfuncties in de wetenschap verloopt aanzienlijk trager. Het netwerk van vrouwelijke hoogleraren heeft nog steeds grote mazen: slechts 12 procent van de Nederlandse hoogleraren is vrouw (Monitor vrouwelijke hoogleraren, 2009). Hoe komt dat? De secretaris-generaal van OC & W, die zijn baas Zijlstra kwam vervangen bij de prijsuitreiking, had daar wel een mening over. De universiteit moest gewoon meer vrouwen benoemen. Dat had hij ook gedaan als carrière-Hagenees, zigzaggend omhoog door de ministeries. Dat de wetenschap iets competitiever is dan de gemiddelde baan bij een ministerie was deze SG-light kennelijk ontgaan.

Bij het diner na afloop, mochten opinieleiders met volle mond meepraten over het glazen plafond. De prijswinnaars hadden daar geen last van gehad en in quota voor vrouwelijke hoogleraren zagen ze niets. Quota zijn beledigend voor vrouwelijke onderzoekers, die immers minstens even competent zijn als hun mannelijke collegae. Quota leiden tot argwaan bij benoeming van vrouwen in topfuncties, zeker als het aanbod krap is. Is dit werkelijk de beste of een excuustruus? Ik heb als instituutsdirecteur 25 jaar geleden de wereld afgestroopt toen vrouwelijke kankeronderzoekers nog schaars waren. Met enig succes, maar makkelijk was het niet.

Wat helpt zijn open, transparante benoemingsprocedures en toegang van vrouwen tot old boys networks (Hoogleraarsbenoeming in Nederland (m/v), Van den Brink, 2011). Nederlands onderzoek heeft laten zien dat de kans op een benoeming van een vrouwelijke hoogleraar verdubbelt als in de benoemingscommissie tenminste 1 vrouw zit. Dat is geen vriendinnetjespolitiek, maar bewustwording van de specifieke hindernissen voor vrouwen in de wetenschap. Vrouwen die een gezin combineren met een wetenschappelijke carrière hebben meestal geen partner die de helft van de zorgtaken op zich neemt, laat staan meer dan de helft. Zoals een vrouwelijke hoogleraar laatst in Science opmerkte: jonge vrouwen vragen mij voortdurend of het mogelijk is om een gezin en een wetenschappelijke carrière te combineren. Mannen vragen dat nooit. Een vrouwelijke hoogleraar kan alleen alle ballen in de lucht houden als zij beschikt over een groot organisatietalent, veel hulp (partner, ouders, au pair), als de crèche functioneert, en haar kinderen gezond zijn.

In Amerika lijkt de discriminatie tegen vrouwen in de wetenschap verdwenen (Proceedings of the National Academy of Sciences, 7 februari). Wat resteert, is het probleem dat vrouwen op weg naar de top hun grootste intellectuele prestaties moeten leveren in de periode dat ze ook een gezin stichten. Aangepaste normen voor promotie – niet kwalitatief uiteraard, maar wel time-outs voor vrouwen en mannen met zorgtaken – zullen die druk moeten verminderen. Aanmoediging in de vorm van gerichte subsidieprogramma’s voor vrouwelijke onderzoekers helpt, zoals het Aspasia programma van NWO, dat een succes is geworden. Benoemingscommissies zouden minder gebiologeerd moeten zijn door de kwantiteit van het wetenschappelijke werk, aantallen citaties en zo, en vooral kwaliteit moeten tellen. Vrouwen in topfuncties werken autokatalytisch op de neiging van jonge vrouwen om een wetenschappelijke carrière door te zetten. Wat mij betreft reikt het LNVH ieder jaar een prijs uit aan een jonge, vrouwelijke onderzoeker. Talent genoeg.

En die hoed van Plasterk? Die is niet meer teruggevonden. Die siert nu een ander hoofd. Als troost bood de LNVH Plasterk een hoed van marsepein aan. Niet zelf gemaakt, maar besteld, want topvrouwen kunnen delegeren. Als u binnenkort Plasterk op tv ziet met een marsepeinen hoed, weet u hoe dat is gekomen.