Eiland zonder vrouwen

Lex Veldhoen bezoekt het Griekse protectoraat Athos. Hij mag er vier nachten blijven, in vier verschillende kloosters.

Het Griekse Agion Oros wordt bevolkt door 2.000 monniken in twintig kloosters. Een bezoek aan een protectoraat, dat ondanks druk van de EU nog steeds een status aparte heeft (bij de grens staat een bord: verboden voor vrouwen). Volgens de regels worden per dag maximaal honderd Grieks-orthodoxe en tien buitenlandse mannen toegelaten. Ze mogen hooguit vier nachten verblijven op dit schiereiland van veertig bij tien kilometer met op het uiteinde de ruim 2.000 meter hoge berg Athos. Het eiland krijgt vaak de naam van deze berg, in plaats van het officiële Agion Oros.

Na een bustocht vanaf Thesaloniki komen we drie uur later in Oranopoulis aan, vanwaar een ferry langs kloosters vaart. In een kantoortje halen we het eerder aangevraagde ‘visum’ op, met wapen (dubbele, gekroonde adelaar) en ondertekend door vier Athos-autoriteiten.

De strandjes bij Oranopoulis staan vol parasols, maar tijdens de bootreis zien we een ongerepte kust. De heuvels zijn begroeid met gele brem en roodbloemige struiken. Er zijn veel oudere Servische en Cypriotische pelgrims aan boord en jongere Albaniërs, waarvan honderden helpen kloosters te restaureren en het land bewerken.

We varen langs een olijfgaard, een kloosterruïne met rondom ranke cipressen, een klooster met lichtblauw hoofdgebouw en langs het klooster Simonos Petras, dat als een arendsnest 250 meter hoog op de rotsen gebouwd is, met uitstekende balkonnetjes op duizelingwekkende hoogte. De kloosters zijn ommuurd als fortificaties met zware vierkante torens met kantelen, waarin de monniken zich konden verschansen in de tijd dat kapers hier rondwaarden (één klooster dateert uit 963).

In havengehucht Dafni is het een geanimeerde drukte van pelgrims en zwartgeklede monniken met baarden en paardenstaartjes. Een van hen verkoopt op de kademuur rozenkransen die hij ter plekke rijgt. Vrachtwagens vol gekapt hout staan klaar voor de ‘export’ naar Griekenland.

We stappen over naar een kleinere boot en na twee tussenstops (waar pelgrims van boord gaan voor andere kloosters) volgt een klim van 150 meter omhoog naar klooster Dionisiou. De poortdeuren zijn verstevigd met breed metalen banden en de gewelven van het toegangsgebouw beschilderd met fresco’s.

Turks fruit

De gastenmonnik geeft ons pelgrims wit bestoven Turks fruit, een glaasje raki en water. De klok staat op half drie, terwijl het volgens onze tijdrekening pas half twaalf is en volgens de Athos-kalender is het 26 mei (voor ons 8 juni). Tegen het middageinde loopt een monnik rond de kerk op de binnenplaats. Hij slaat meermalen met een houten hamer op een lange plank ten teken dat de dienst begint.

In de vrij lage kerk met uivormige, byzantijnse koepeltorentjes, iconen, fresco’s en goudornamentiek, voeren monniken riten uit en worden afwisselend teksten voorgelezen en liederen gezongen. Na afloop toont een monnik gouden en zilveren doosjes op een tafeltje met paars velours. Ze bevatten botjes van de rechterhand van Johannes de Doper en een stukje hout van het kruis van Jezus. De gelovigen kussen ieder relikwie.

De maaltijd (op Athos maar twee per dag) bestaat uit koude linzensoep, brood en scherpe, zwarte olijven. De muren van de refter (eetzaal), zijn bedekt met fresco’s. Monniken zitten aan één tafel, novicen aan een andere en de zestig pelgrims aan twee langere tafels. Als een monnik na een kwartier ophoudt met voorlezen, wordt er gestopt met eten.

Buiten het klooster heerst tegen de avond een serene stilte, alleen vogelgezang is te horen. Via een poorthuisje is de begraafplaats met slechts zeven graven te bereiken. Tegen de rotswand staat een knekelhuisje met dikke muren. Vanwege plaatsgebrek worden de graven op den duur geruimd. In het knekelhuisje liggen achter venstergaten de botten hoog opgestapeld.

Om negen uur ’s avonds worden de poortdeuren gesloten. De tweede dag begint de vroege dienst om drie uur ’s morgens. Tijdens een wandeling door de terrasvormige moestuin (waar groenten langs twee kabels in een bakje omhoog gehesen kunnen worden naar de keuken) schiet er een bruine slang met groenige kop weg.

Tussen de middag gaan we per boot naar het iets noordelijker gelegen Grigoriou. Ik krijg een bed toegewezen in een slaapzaal met zeven andere mannen in het gastenverblijf bij de aanlegkade. Opmerkelijk is de refter van het vijftig meter hoger gelegen klooster, die is beschilderd met kleurrijke fresco’s op een blauwgroene ondergrond. Via een raam is er zicht op de rotskust en op de zee, die er verleidelijk turkooise en diepblauw bij ligt; maar zwemmen is hier, als werelds genot, taboe.

Per bus gaan we de volgende dag naar het plaatsje Karyes, waar het bestuursorgaan van Agion Oros met twintig kloosterabten zetelt. Vervolgens door naar het derde klooster, Koutloumousiou.

Hier is het binnenterrein een bonte kleurenzee van mooie, geurende rozen in bloembakken. Een monnik toont het iconenatelier en gastenmonnik Nikolas vertelt wat Athos merkt van de Griekse crisis: „Tot voor kort kwam er restauratiesubsidie van de EU. Maar dat is gestopt, omdat Griekenland de verplichte 25 procent eigen bijdrage niet kan opbrengen. En vroeger plukten we alleen olijven in de olijfgaarden. Nu plukken we ze ook op moeilijk bereikbare plekken om geld te besparen.” Hij geeft vooral bankiers en speculanten de schuld van de crisis en de Griekse regeerders verwijt hij nooit naar de bevolking geluisterd te hebben. Hij is bang dat het orthodoxisme het onderspit gaat delven, er een globale religie ontstaat en de democratie verwordt tot een dictatoriaal bewind.

Bij klooster Filotheou heerst een streng regime. Rond kerktijd worden pelgrims gemaand naar de dienst te gaan; niet-orthodoxen mogen slechts in een voorportaal van de kerk gaan zitten en pas na de anderen in de refter eten. Na het eten voert een monnik in een prieel buiten het klooster een leergesprek met een achttal pelgrims.

Zonder reservering op de gok naar het vijfde klooster. Bij het vriendelijke Iviron vinden we gelukkig, direct aan zee, een ruime kamer. Ik help mannen die in de binnenhof aan een tafel bergen erwten zitten te doppen; weer eens iets anders dan de hele dag nietsdoen.

Hoewel mijn bagage op de terugweg in Dafni wordt gecontroleerd op illegale uitvoer van iconen en relikwieën, wordt mijn visum niet geverifieerd. Ik ben een nacht te lang gebleven en op Pinksterzaterdag braakt de ferry zo’n vierhonderd pelgrims uit. Blijkbaar neemt Agion Oros het in deze crisistijd vanwege de inkomsten niet zo nauw met de verblijfregels.