De speelkaarten van de vijanden

Schrijver Arnon Grunberg was te gast bij de Bundeswehr in Kunduz. Hij wil weten hoe het Duitse leger zich heeft hersteld van de schaduwen van het Derde Rijk. Op pad met Pressefeldwebel Sickmann.

Tegenover de receptie van de Gandamack Lodge in het centrum van Kabul hangt een bordje dat het bij wet verboden is drank te schenken aan moslims en Afghanen. Maar de enige gasten hier zijn westerlingen. Al om half twaalf in de ochtend zit menig expat in de Gandamack Lodge aan zijn eerste gin-tonic. De tuin van de lodge lijkt een oase, niets doet hier vermoeden dat je in een crisisgebied bent.

Het is dinsdagochtend 11 oktober. Een paar uur geleden ben ik met Flydubai, de Ryanair van Dubai, geland op de luchthaven van Kabul. In mijn vliegtuig zaten enkele Afghanen in identieke oranje overalls zonder handbagage. Bij de douane in Kabul werden ze apart genomen. Ik moest denken aan Guantánamo Bay, waar ik in de winter van 2007 gevangenen in dergelijke overalls aantrof.

Dubai is een uitwijkplaats voor met name de rijkeren, en de oorlog, die nu tien jaar duurt, heeft sommige Afghanen rijk gemaakt. Dagelijks schijnen miljoenen dollars in contanten van Kabul naar Dubai te worden vervoerd.

Dit is mijn derde reis naar Afghanistan, anders dan de eerste twee keer reis ik nu niet mee met het Nederlandse leger. Ik ben zonder militaire begeleiding in Kabul, waar ik vierentwintig uur zal blijven. Eindbestemming van mijn reis is het kampement van het Duitse leger in Kunduz.

Een half jaar geleden had ik gevraagd of ik embedded kon worden bij het Duitse leger. Ik had laten weten dat ik een reportage wilde maken over het Duitse leger in het licht van de gecompliceerde geschiedenis van Duitsland; ik wilde nagaan in hoeverre de Bundeswehr zich hersteld had van de schaduwen van het Derde Rijk. In 2007 had een Duitse officier in Uruzgan mij verteld: „Om voor de hand liggende redenen zijn wij een leger zonder traditie.” Het klonk alsof hij de traditie node miste.

Het Duitse leger wees mijn verzoek af. De Bundeswehr mocht kennelijk niet in verband worden gebracht met de schaduwen van het Derde Rijk, zoals die schaduwen ook ons alleen nog maar lijken te vervelen.

Na aandringen bleek een bezoek toch mogelijk.

Een paar weken voor mijn vertrek heb ik getelefoneerd met Oberstleutnant (luitenant-kolonel) Fischer, die mij zou ontvangen in Kunduz.

In Kabul is het onverwacht koud en grijs. Ik heb een afspraak met een Afghaanse journalist in het Flower Street Café. Mij was afgeraden taxi’s op straat aan te houden; de receptionist van de Gandamack Lodge geeft mij het nummer van een betrouwbare taxiservice.

Vergeleken met Bagdad een paar jaar geleden doet Kabul vriendelijk aan: minder betonblokken, minder militairen, minder in het oog springende vernietiging.

Ik vraag de taxichauffeur langs een geldautomaat te rijden en ook een supermarkt, mijn tandenborstel is in een hotelkamer in Dubai achtergebleven.

De supermarkt blijkt goed geoutilleerd maar leeg. Een Aziatische manager of eigenaar houdt mij in de gaten terwijl ik een tandenborstel uitzoek. Een andere westerling met baard die een halfslachtige poging lijkt te hebben ondernomen om zich te vermommen als Afghaan koopt een pak cornflakes.

Met de tandenborstel in mijn vestzak rijd ik naar het Flower Street Café, dat zich bevindt in een rustige, niet-geasfalteerde straat. Er zijn enkele bewakers, maar veel stelt het niet voor. De vraag blijft hoe effectief beveiliging kan zijn als je weet dat men ook met een vrachtwagen vol explosieven naar binnen kan rijden.

Binnen zit een klein dozijn westerlingen, veelal achter laptops. De sfeer is ontspannen. Een dergelijk café was in Bagdad buiten de Groene Zone ondenkbaar.

Habib Zohori is een vrij jonge Afghaanse journalist, die mij per sms had laten weten dat ik hem kon herkennen aan zijn hoofddeksel, dat iets weg zou hebben van de pet van Mao.

Zohori bestelt een Griekse salade, hij schijnt enkele van de expats in het Flower Street Café goed te kennen. „Ik ben journalist, maar ik ben ook fixer, ik werk veel voor de journalisten van The New Yorker”, zegt hij.

Anders dan de meeste Irakezen die in Bagdad altijd op gedempte toon tegen mij spraken alsof ze bevreesd waren dat er iemand meeluisterde, praat Zohori hard.

„In 2014 begint de burgeroorlog”, zegt hij. „Het hangt er een beetje vanaf wat de Amerikanen doen, maar in principe begint de oorlog in 2014. Als de oorlog uitbreekt, gaan mijn moeder en zussen naar Pakistan.”

Het lunchuur lijkt voorbij. Enkele expats klappen hun laptops dicht en verlaten het café.

„Deze regering”, zegt Zohori, „is net zo fundamentalistisch als de Talibaan en net zo wreed, maar zolang de westerlingen hier nog zijn, doen ze alsof ze niet fundamentalistisch zijn. Onze grondwet is voor 80 of zelfs 90 procent gebaseerd op de sharia.”

Ik bestel nog wat thee.

„Op initiatief van generaal Petraeus is naast de Afghaanse Nationale Politie de ALP opgezet, de Afghaanse Lokale Politie. De ALP verkracht op grote schaal.”

Zohori somt op zakelijke toon op: „In Kunduz zei een chef van de ALP: ‘We móéten wel geld van de burgers vorderen, we hebben al vier maanden niet betaald gekregen.’ Ik was blij toen de Amerikanen de Talibaan versloegen, nu worden de Amerikanen en westerlingen door de meeste Afghanen gehaat.”

In Irak had ik hetzelfde gehoord. De blijdschap en hoop nadat Saddam was verjaagd maakten snel plaats voor teleurstelling en haat.

Ik loop achter Zohori aan naar buiten. „De Pakistaanse geheime dienst organiseert de Talibaan”, zegt hij, „en die dienst wordt net als het Pakistaanse leger militair en financieel ondersteund door Amerika. Het is een vicieuze cirkel.”

„Dus eigenlijk bestrijdt Wet westen vijanden die het zelf financiert?” vraag ik.

Hij knikt. „Je gaat naar de Duitsers, niet? Daar hebben ze lekker eten. Veel varkensvlees, ik ben dol op varkensvlees. Ik ben atheïst, mijn vader is marxist, een van de laatste marxisten in Afghanistan.”

Hij belt een taxi voor me. Zelf loopt hij in de richting van een drukke straat. Als ik hem voorbijrijd, tik ik tegen de ruit, maar hij hoort mij niet. Zijn blik is gericht op de kasseien.

Vroeg in de avond begint het te regenen. Ik verlaat Kabul en doe een poging het militaire gedeelte van de luchthaven te bereiken, waar ik de volgende ochtend met ISAF-vlucht 62 naar Kunduz zal vliegen. De vlucht is geboekt door het Duitse leger.

Belgische militairen houden de wacht op het vliegveld. Ik mag pas het vliegveld betreden als mijn escorte is verschenen. „Dat zijn de regels,” zegt een Vlaamse vrouwelijke militair, op een toon die je eerder van een stewardess dan van een militair verwacht.

Mijn escorte bestaat uit twee vrouwelijke Amerikaanse militairen, die me afleveren in een tent waar ik de nacht mag doorbrengen. Ik kan helaas geen vrije brits ontwaren. De bureaucratie laat soms steekjes vallen.

De dames hebben me verteld dat er een Libanees restaurant is dat de hele nacht open is. Twee militairen zitten daar te eten, verder is het leeg.

Als ik mijn humus en kebab heb gekregen wikkelt de kok zich in een deken voor de keuken, de twee militairen hebben het restaurant dan al verlaten.

Ik moet denken aan de voorspelling van Zohori dat in 2014 de burgeroorlog uitbreekt. Ik twijfel er niet aan dat de kok van dit restaurant net zo lief zijn kebab voor de Talibaan zal bereiden als dat hij dat voor de Franse, Amerikaanse, Belgische en Italiaanse troepen heeft gedaan.

Het regent nog altijd. Ik ga naar een recreatieruimte waar getafeltennist kan worden. Een Italiaan voert een luidruchtig gesprek via Skype.

In een fauteuil naast een van de tafeltennistafels breng ik de nacht door.

Om drie uur in de ochtend begint een Afghaan te dweilen. Het lijkt hem plezier te doen ook mijn schoenen schoon te maken.

De volgende morgen in de Duitse Transal, een militair transportvliegtuig, zegt een van de militairen: „Afghanistan is en blijft een shithole.” Meteen daarna valt hij in slaap.

Reizen met een militair transportvliegtuig blijft eigenaardig. Al wordt er dit keer, anders dan toen ik met de Nederlanders mee vloog, niet gekotst en de piloot onderneemt ook geen tactische manoeuvres om raketten te ontwijken. Toch hangt er ook in dit transportvliegtuig een begrafenissfeer.

Op de basis in Kunduz word ik opgewacht door Pressefeldwebel (persofficier) Sickmann, een man van in de vijftig met een sierlijke snor. Hij ontvangt me met een vriendelijke monoloog. „Het is u dus gelukt. We raden iedereen aan vanaf Keulen met de Bundeswehr naar ons toe te vliegen. Vanaf Kabul is eigenlijk onmogelijk. We hebben geen Duitse militairen op het vliegveld van Kabul en onze contacten met de Amerikanen daar zijn op zijn zachtst gezegd chaotisch. Laten we eerst maar wat gaan eten.”

In een civiel bestelbusje rijdt hij me naar de eetzaal. „’s Middags zijn er kleine lekkere dingen, ’s avonds zijn er grote lekkere dingen,” zegt de Pressefeldwebel. „Ik heb even wat onderzoek gedaan. Dat u met uw biografie met ons mee wilt…” Hij kijkt om zich heen en wijst op een groepje Nederlandse soldaten. „Er zijn hier zoveel Nederlandse militairen en u wilt met de Duitsers mee.”

Als we hebben gegeten, zegt de Pressefeldwebel: „We gaan even langs Oberstleutnant Fischer.”

Op weg naar het kantoor van de Oberstleutnant verklaart de Pressefeldwebel: „Ze zeggen dat er zeventig jaar vrede is in Duitsland, maar mijn grootvader was soldaat in de oorlog, mijn vader was soldaat in de oorlog, ik ben soldaat in de oorlog. Mijn kind dat bij het leger zit, is ook soldaat in de oorlog. Dus wat betekent die zeventig jaar vrede dan?”

Ik moet hem het antwoord op die vraag schuldig blijven.

Oberstleutnant Fischer is een kleine man met een grijs baardje die iets weg heeft van een oudere John Malkovich.

„We hebben een aardig programma voor u opgesteld”, zegt de Oberstleutnant. Hij wijst op een kaart van Kunduz en omgeving. „Ten zuiden van Kunduz hebben we de meeste insurgents verdreven, maar ten noorden zitten er nog restanten.”

Hoewel hij Duits met mij praat, gebruikte hij het woord ‘insurgents’ om de vijand mee aan te duiden, iets wat ook de andere Duitse militairen doen.

„Straks gaan we weg uit Afghanistan”, zegt Sickmann naderhand. „Het is zo jammer, heb je het kindje net leren lopen, dan laat je het alleen. En hoe moet het nu verder als de Amerikanen vertrekken?”

Hij besluit zijn overpeinzing met de woorden: „Gaat u maar naar bed. We gaan morgen vroeg op patrouille.”

Op een buitenpost ten zuiden van Kunduz van de Afghaanse politie waar ook Duitse militairen zijn, begint de patrouille. In een hoekje van de binnenplaats legt Hauptfeldwebel (eerste luitenant) Kaitschik, die vanochtend het commando zal voeren, de operatie uit. Het is een ietwat dikke, vriendelijke man met een pokdalig gezicht. „We gaan naar het dorp Mur Shaykh, daar zijn al ik weet niet hoelang geen ISAF-militairen geweest. We gaan eens praten met de bevolking. De tegenstander werkt veel met suiciders, want ze kennen onze moraal, ze kennen onze zwaktes: invaliden en kinderen.”

Iedereen die in een oorlogsgebied is geweest zal erkennen dat moraal een vorm van zwakte is. Een begrijpelijke vorm van zwakte in de eenentwintigste eeuw, dat wel.

„We gaan met 35 man, plus 25 man van de ANA [het Afghaanse leger]. We moeten overwicht tonen, dan durven ze niets te beginnen”, zegt de Hauptfeldwebel.

Na ongeveer een half uurtje rijden arriveren we op de plaats van bestemming. Een onbemand vliegtuig hangt in de lucht. Het houdt de omgeving in de gaten, zo is mij verteld. Op een heuvel verderop staan Duitse militairen en hun voertuigen, die de dag ervoor al zijn gearriveerd om de boel te verkennen.

De voetpatrouille begint.

De eerste die ons opwacht, is een hond. Hij blaft.

„Die honden hebben ziektes”, zegt Sickmann.

Een geweer wordt op de hond gericht. „Stenen of harde klei”, roept de Hauptfeldwebel. Waarop een van de tolken met hard geworden modder naar de hond begint te gooien. Dan komt de eigenaar, een oude man met een kind op zijn arm, die zich over zijn hond ontfermt.

Weer een hondenleven gered, de patrouille wordt hervat.

„We hebben een speelkaart gevonden”, zegt de Hauptfeldwebel tegen mij. „Dat is een teken dat de insurgents hier waren. Zij gebruiken speelkaarten als bewegwijzering. De Afghanen spelen geen kaart.”

We komen opnieuw een oude man tegen.

De Hauptfeldwebel en een vertaler gaan op hem af.

„Hoe is het hier gesteld met de veiligheid?” vraagt de Hauptfeldwebel.

„Prima”, zegt de Afghaan. Maar hij wil niet over veiligheid praten. „De Duitsers hebben me verleden jaar beloofd dat hier waterputten zouden komen en daarna heb ik nooit meer iets gehoord. U bent de eerste Duitser die ik weer tegenkom.”

„Ik geef het door”, zegt de Hauptfeldwebel. „Maar hoe staat het er hier voor met de veiligheid?”

„De Talibaan zijn ver weg”, zegt de Afghaan en hij wijst naar het zuiden.

De Hauptfeldwebel maakt aantekeningen.

Als we verder lopen komen we bij een beekje. „Moet je kijken”, zegt de Hauptfeldwebel. „Op tien minuten loopafstand volop water en dan jengelt die man om water.”

We naderen een schapenhoeder. Zijn schapen zijn net geschoren. Twee jongens, zijn zonen vermoedelijk, helpen hem bij het hoeden. In de buurt van de schapen bevindt zich een aanhangwagen die van de schapenhoeder lijkt te zijn.

Dit keer wordt het gesprek gevoerd door een kalende kapitein.

„De oogst is uitstekend, niet”, zegt de kapitein. Hij wijst op een bergje oogst, iets wat op tarwe lijkt. „Wie zorgt hier voor de veiligheid?”

„Commandant Zia en commandant Amman”, zegt de Afghaan.

Dan klinken er schoten.

De kapitein en ik zoeken dekking achter de aanhangwagen. De kapitein gebaart dat de Afghaan ook dekking moet zoeken. Hij hurkt met zichtbare tegenzin achter zijn oogst, zijn zonen hebben dekking gezocht tussen de schapen.

Na vijf minuten blijken de schoten niet op het Duitse leger gericht te zijn; een lokale commandant van de Afghaanse politie heeft de gewoonte te schieten op automobilisten die niet snel genoeg stoppen.

Het gesprek met de man wordt hervat. „U hebt zulke mooie blauwe ogen”, zegt de kapitein, „mag ik een foto van uw ogen maken?”

Het mag. De gedachte dat de Afghanen eigenlijk Germanen zijn, schijnt in Duitse militaire kringen vaker voor te komen.

Wij vervolgen onze weg.

Pressefeldwebel Sickmann wijst op Afghaanse politieagenten die aan de kant van de weg zitten. „Ze rusten graag uit”, zegt hij.

Dan verlaat de voetpatrouille het dorp Mur Shaykh. Misschien duurt het een jaar voor hier weer NAVO-militairen komen, maar het zou mij niet verbazen als er nooit meer NAVO-militairen naar Mur Shaykh zullen komen.

(wordt vervolgd)