De fotocamera gaf schilders een fotografisch oog

Veel schilders maakten eind negentiende eeuw gretig maar ook beschaamd gebruik van de eerste fototoestellen. Het Van Gogh Museum toont hun snapshots van het alledaagse.

De allereerste pocketcamera van Kodak was een doosje van nog geen tien bij twintig centimeter, gemaakt van kersenhout en bekleed met donkerbruin Marokkaans leer. Een fototoestel zonder zoeker en met slechts één sluitertijd van 1/25 seconde. In het doosje was ruimte voor een film met honderd opnames. Waren die vol, dan stuurde je de camera in zijn geheel naar de Kodak-fabriek om de rol te laten ontwikkelen. „U drukt op de knop, wij doen de rest”, zo luidde de slogan waarmee George Eastman zijn nieuwe uitvinding vanaf 1888 aan de man bracht.

Op de tentoonstelling Snapshot in het Van Gogh Museum, over de relatie tussen fotografie en schilderkunst in de periode 1888-1915, staan een paar van die oude cameraatjes opgesteld in vitrines. Ze maakten het aan het eind van de negentiende eeuw voor het eerst mogelijk dat amateurs, zonder kennis van chemicaliën, konden gaan fotograferen. Ook in de kunstwereld zorgde de komst van de compacte Kodak No.1 voor een kleine revolutie. Veel schilders gingen er enthousiast mee aan de slag. Aan zeven van hen is deze formidabele expositie gewijd.

Het eerste wat opvalt in het Van Gogh is hoe weinig er in de afgelopen eeuw veranderd is op het gebied van de amateurfotografie. Natuurlijk, de foto’s van schilders als Pierre Bonnard of Maurice Denis zijn zwart-wit en vaak onscherp, maar hun onderwerpen zijn dezelfde als die wij tegenwoordig op onze Facebook-pagina’s plaatsen. Kiekjes van huiselijk geluk, van pasgeboren baby’s en dromerig kijkende geliefdes, van stedentripjes en van vakanties aan zee. Hun sepiakleurige beelden van het alledaagse leven ogen net zo fris en spontaan als onze iPhone-hipstamatics, met veel afgesneden hoofden en overbelichte gezichten.

Een groot verschil met nu is dat de schilders van toen er niet graag voor uitkwamen dat ze ook fotografeerden. Geen van de foto’s die nu in het Van Gogh te zien zijn, is ooit tijdens hun leven geëxposeerd. De drieduizend foto’s die George Hendrik Breitner maakte bijvoorbeeld werden pas in 1961 ontdekt, bijna veertig jaar na zijn dood. Fotografie was een mechanische uitvinding, zo werd lang gedacht, geen artistieke.

Wat deze tentoonstelling en de voortreffelijke catalogus goed duidelijk maken, is dat ondanks die aanvankelijke schroom de Kodak No.1 wel degelijk van grote invloed is geweest op de schilderkunst rond 1900. Foto’s konden als voorstudie dienen en werden soms heel letterlijk nageschilderd, zoals te zien is aan de intieme portretten die Félix Vallotton maakte van zijn vrouw Gabrielle. En Maurice Denis was waarschijnlijk nooit op het idee gekomen om zijn echtgenote Marthe en hun pasgeboren dochter zo in close-up te schilderen (Noële et sa mère, 1896) als hij niet ook talloze portretfoto’s van hen had gemaakt.

Door de fotografie deed het toeval zijn intrede in de schilderkunst. Neem Breitners beroemde schilderij uit het Rijksmuseum, De Singelbrug bij de Paleisstraat te Amsterdam uit 1897. Dat werk ziet er zo dynamisch en losjes uit dat het net een uitvergrote foto lijkt – een echte toevalstreffer. De vrouw met de bontjas die onderin het schilderij alweer bijna het beeld uitloopt, de horizon die een beetje scheef loopt, de gevels van de grachtenpanden die aan de bovenzijde zijn afgesneden – het zijn allemaal voorbeelden van de fotografische blik die Breitner ontwikkeld had.

Een grote ontdekking op deze tentoonstelling is Henri Evenepoel, een Vlaamse kunstenaar die slechts zeven jaar werkzaam was en in 1899 op 27-jarige leeftijd overleed. Twee jaar voor zijn dood was hij fanatiek met een draagbare Kodak-camera aan de slag gegaan, en de 875 negatieven die hij naliet maken duidelijk dat hij misschien wel meer talent had als fotograaf dan als schilder. De kinderportretten die hij schilderde ogen nog vrij statisch en formeel. Maar met zijn camera in de hand was hij veel vrijer. Dan koos hij voor afwijkende standpunten, zakte door zijn knieën om op ooghoogte met de kinderen te komen, liet ze naar hem toe rennen of trachtte de beweging van hun balspel vast te leggen.

Een van die foto’s, van zijn zieke zoontje Charles, laat je niet snel los. Evenepoel positioneerde zijn camera haast tegen de spijlen van het bed aan, waardoor het net is of het kind – ogen geloken, duim in de mond – achter tralies zit. Het is een zeldzaam ontroerend moment, vastgelegd met een rudimentair doosje van tien bij twintig centimeter. Maar 112 jaar en vele digitale ontwikkelingen later raakt het ons nog net zo diep als toen.

‘Snapshot, schilders en fotografie 1888-1915’. T/m 8 jan in het Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam. Catalogus 35 euro. Inl: www.vangoghmuseum.nl. ****