De crisis van de volkspartijen

De crisis in het CDA is een momentopname uit de gestage neergang van volkspartijen. De erosie van het centrum maakt instabiel, tenzij aan het kiesstelsel wordt gesleuteld, vindt Gerrit Voerman.

De tijd van de grote, klassieke volkspartijen die grote delen van de samenleving politiek integreerden en representeerden, lijkt voorgoed voorbij. Het CDA en de PvdA – en in mindere mate de VVD (voor zover deze partij ooit een heuse volkspartij is geweest) – verkeren in een diepe crisis, als gevolg van maatschappelijke ontworteling en populistische concurrentie. Door de toegenomen veranderlijkheid van de kiezer kunnen deze partijen, die met hun voorgangers in de twintigste eeuw de pijlers vormden van het Nederlandse politieke bestel, niet meer rekenen op een min of meer vast electoraal aandeel. Tegelijkertijd raakt het politieke midden leger, als gevolg van polarisatie, die wordt aangewakkerd door populistische rivalen – juist in deze crisistijd, waarin een stabiel landsbestuur is geboden.

In electoraal opzicht hebben CDA, PvdA en VVD een behoorlijke veer moeten laten. Haalden zij bij de Kamerverkiezingen van 1986 in totaal 133 zetels, in 2010 waren dat er nog maar 82 zetels. De christen-democraten staan in de Politieke Barometer op slechts 15 zetels en de sociaal-democraten op 21. De VVD doet het met 37 zetels ronduit goed (slechts één minder dan het all time record uit 1998), maar nog in 2009 stonden de liberalen in de peilingen op 16 zetels. Met 73 zetels in de peilingen hebben de ‘grote drie’ van weleer niet eens meer een Kamermeerderheid.

Het afbrokkelende maatschappelijke fundament van CDA, PvdA en VVD blijkt verder uit de ledentallen. Telden die in de jaren tachtig samen zo’n 320.000 (3 procent van de kiezers), nu is dat nog maar de helft (1,3 procent).

De situatie voor deze partijen is dus niet erg florissant. Hoewel de VVD zich voor het eerst in haar bestaan ter rechterzijde geconfronteerd ziet met serieuze concurrentie (LPF en PVV), oogt de partij vitaal, met goede peilingen en de eerste liberale premier sinds de Eerste Wereldoorlog.

De crisis van het CDA en de PvdA laat zich daarentegen niet verhullen. Deze heeft drie onderling samenhangende dimensies – een electorale (voortvloeiend uit fundamentele maatschappelijke veranderingen), een personele (de afwezigheid van een aansprekende partijleider) en een strategische (grote onduidelijkheid over de koers van de partij).

De toegenomen electorale instabiliteit van het CDA en van de PvdA hangt samen met de individualisering en met de ontzuiling. Traditionele, vastomlijnde, collectieve identiteiten in de samenleving waarop deze volkspartijen rustten, erodeerden. De organisatorische netwerken die hen met de maatschappij verbonden, zijn grotendeels verdwenen.

De christen-democratie wordt het meest bedreigd door de gestage afkalving van haar natuurlijke achterban – de groep protestantse en katholieke kiezers. De relatie tussen religie en kiesgedrag is verzwakt. Kiezers die zichzelf als gelovig beschouwen, stemmen steeds minder vanzelfsprekend op een christelijke partij.

De PvdA zit in hetzelfde schuitje. Zij heeft te maken met de trend dat niet-christelijke kiezers uit lagere sociale milieus niet langer vrijwel automatisch op haar stemmen, zoals vroeger. De sociaal-democraten hebben de grootste moeite om de uiteenlopende belangen van hoger en lager opgeleiden met elkaar te verenigen. In deze spagaat verliezen zij steun in deze laatste groep.

Structureel gezien hebben het CDA en de PvdA de afgelopen decennia op de kiezersmarkt duidelijk terrein verloren, zij het dat ze soms boven zichzelf uitstegen – onder aanvoering van Lubbers en Balkenende, respectievelijk Kok en Bos. Hoewel kiezers doorgaans niet uitsluitend op basis van mensen hun stem uitbrengen, toont het (overigens niet altijd) succesvolle optreden van deze lijsttrekkers het grote, electorale belang aan van een aansprekende, breed gedragen partijleider.

Zo’n leider ontbreekt bij beide partijen, bij het CDA nog meer dan bij de PvdA. De sociaal-democraten hebben met Cohen formeel een aanvoerder, zij het dat hij omstreden is. Zijn stijl lijkt geschikter voor besturen in coalities dan voor hard oppositie voeren. In het CDA is de positie van partijleider anderhalf jaar na het echec bij de Tweede Kamerverkiezingen nog altijd vacant. Vicepremier Verhagen wil waarschijnlijk wel, maar is binnen zijn partij te omstreden, toonde de NRC-enquête onder actieve CDA’ers deze week – slechts 3 procent van de respondenten steunt hem. Andere potentiële kandidaten hebben zich nog niet nadrukkelijk aangediend of hebben te kennen gegeven dat ze willen, zoals minister van De Jager (Financiën) en oud-minister Eurlings (Verkeer en Waterstaat). Deze laatste kan volgens de enquête overigens rekenen op de meeste steun, maar zal voor een ander deel van de partij moeilijk te verteren zijn vanwege zijn emotionele steun aan Verhagen en de gedoogconstructie op het partijcongres vorig jaar.

Dat het CDA om de leiderschapskwestie heen loopt, hangt samen met de angst voor de discussie over de politieke samenwerking met Geert Wilders. Hiermee verbonden is de vraag welke positie de christen-democratie zou moeten innemen in het Nederlandse politieke bestel. Tegenstanders van de alliantie met de PVV willen vaak vasthouden aan de traditionele, identiteitsbepalende middenpositie van het CDA en vanuit het politieke midden maatschappelijke tegenstellingen overbruggen. Een aantal voorstanders van de gedoogconstructie ziet graag dat hun partij zich conservatiever en rechtser positioneert, naar het voorbeeld van de Duitse CDU/CSU. De aanwijzing van een partijleider is, hoe dan ook, tegelijk een keuze tussen beide opties.

Ook de PvdA kampt met strategische problemen. Zij domineert niet langer de linkerzijde van het politieke bestel, zoals zij bijna een halve eeuw heeft gedaan. Behalve D66 zijn GroenLinks en vooral de SP serieuze concurrenten geworden. Als gevolg van de teloorgang van de sociaal-democratische hegemonie en het proces van electorale nivellering – alle partijen worden middelgroot – is de mogelijkheid van een herverkaveling op de langere termijn van de vier partijen links van het midden niet meer zo onwaarschijnlijk. Voormalig GroenLinksleider Femke Halsema speculeerde in de herfst van vorig jaar al over de vorming van twee partijen, een sociaal-progressieve (rond D66 en GroenLinks) en een sociaal-conservatieve (met als kern de SP). Het grootste slachtoffer van een dergelijke hergroepering zou uitgerekend de PvdA zijn, de voormalige spelbepaler op links, met zijn vrijzinnig-hervormingsgezinde en behoudende vleugels.

Het verval van het midden heeft ook te maken met de opkomst van populistische partijen. Die houden het politieke speelveld breed en concurreren scherp om de steun van de beweeglijke kiezer. De SP zet zich vooral op sociaal-economisch terrein af tegen de PvdA, de PVV (en eerder de LPF) en polariseert op basis van de na 9/11 opgekomen nieuwe sociaal-culturele scheidslijn in de Nederlandse politiek (met als thema’s immigratie, integratie, islam en Europese eenwording). Zowel programmatisch als strategisch zien CDA, VVD en PvdA zich in uiteenlopende mate gedwongen daarin mee te gaan – de christen-democraten en liberalen in de gedoogconstructie met de PVV, de sociaal-democraten door meer op de SP te letten.

De middelpuntvliedende krachten die het partijstelsel beroeren, beproeven de spankracht van CDA, PvdA en VVD en tasten de stabiliteit van het landsbestuur aan – niet alleen omdat de onzekere volkspartijen van oudsher ook de belangrijkste bestuurderspartijen zijn, maar ook omdat het politieke centrum leger wordt door de polarisatie. De regeringsvorming wordt moeilijker, tonen de formaties vanaf 2002 – in combinaties van twee hebben CDA, PvdA en VVD geen parlementaire meerderheid meer. Ze zijn afhankelijk geworden van onervaren partijen als LPF, ChristenUnie en PVV. Bovendien heeft het afgelopen decennium geen kabinet de eindstreep gehaald.

Grotere electorale volatiliteit leidt in ons open kiesstelsel al snel tot meer bestuurlijke instabiliteit. De centrale positie van de volkspartijen in het politieke proces is ondermijnd. De kans dat deze partijen op eigen kracht die plek voor een langere periode weer zullen innemen, is niet groot – tenzij aan het kiesstelsel wordt gesleuteld, maar daarvoor is de steun van de kiezer nodig.

Gerrit Voerman is hoogleraar Nederlands partijstelsel en directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen van de Rijksuniversiteit Groningen.