'Bij de echte top hoor ik niet'

Co Adriaanse kwam dit seizoen terug naar Nederland. Als trainer moest hij de successen van FC Twente bestendigen. Volgend jaar wordt hij 65. Soms vraagt hij zich af waarom hij deze baan heeft genomen. „Voetbal is een maalstroom waaruit je niet ontsnappen kunt.”

Co Adriaanse was na zijn ontslag als bondscoach van het Olympisch team in Qatar nog helemaal niet bezig met een nieuwe werkgever. Een terugkeer naar de Nederlandse competitie was voor hem al helemaal niet aan de orde. Maar toen zijn naam steeds vaker werd genoemd als mogelijke opvolger van FC Twente-trainer Michel Preud’homme dacht hij: waarom ook niet? „Twente heeft een positief imago. Veel mensen hebben sympathie voor de club. Toen Joop [Munsterman, voorzitter van de club] belde, had ik er al serieus over nagedacht. Ik wilde in elk geval wel in gesprek.”

En zo werd hij op zijn vierenzestigste opnieuw hoofdcoach van een Nederlandse topclub. Adriaanse wil het niet overdrijven, zegt hij, aan tafel in het trainingscomplex in Hengelo, maar na een afwezigheid van zes jaar voelt zijn terugkeer naar Nederland als ‘thuiskomen’. „Je herkent zoveel wat je eigenlijk al vergeten was: een trainingsveld dat nat is van de dauw, die lekker koele temperatuur. Gewoon Nederlands kunnen spreken. Toen ik hier kwam was de voertaal Engels, ingevoerd onder Steve McLaren. Maar inmiddels is tachtig procent van de aanwezigen Nederlandstalig, dus dat heb ik teruggedraaid. Eigenlijk zouden we met z’n allen Twents moeten spreken. Dat zou nog mooier zijn.”

Van de hitte van de woestijn naar de mistige velden van Twente; de overgang kan haast niet groter. Anderhalf jaar geleden werd Adriaanse in Qatar aangesteld als bondscoach van het Olympisch team. Het begon goed: hij mocht zelf zeggen wat hij wilde verdienen. „In Qatar kijken ze niet op een euro meer of minder.” Bovendien waren de sjeiks bereid flink te investeren in techniek en accommodatie. Maar na verloop van tijd begonnen zich fundamentele verschillen van inzicht tussen de coach en zijn werkgevers af te tekenen. „De Qatari zijn enorm geporteerd van verdedigend voetbal. Als klein land zijn ze gewend dat ze altijd teruggedrongen worden. Dus achterin willen ze grote mannen die ballen kunnen wegschoppen. En ondertussen hopen op een counter. Dat is niet het voetbal waar ik van hou. Ik selecteerde geen verdedigers, maar zette middenvelders in de verdediging die ook kunnen voetballen. Dat vonden ze héél vreemd. We speelden gelijk tegen Rusland: 2-2. Op zichzelf een mooi resultaat. Maar niet in hun ogen. ‘Met verdedigend voetbal hadden we waarschijnlijk gewonnen.’”

Er waren fundamentele cultuurverschillen die zich gingen wreken. Adriaanse ging zich almaar meer ergeren aan het feit dat geen Qatarees ooit op tijd komt. „Ze zijn als nomadenvolk gewend om naar de zon te kijken. De zonnestand is hun klok. In de praktijk betekent het dat ze op elke afspraak een kwartier of een half uur te laat zijn. Als om half negen het ontbijt was, kwamen ze rustig om kwart voor negen aanzetten. Als ik er wat van zei, riepen de managers: ‘maar ze zijn er nu toch allemaal?’ De ergernis groeide, aan beide kanten.”

U bent zes jaar weggeweest uit Nederland. Waar moest u het meest aan wennen?

„Aan het werkritme. Als bondscoach van een Olympisch team heb je echt niet elke dag je trainingspak aan. Hier moest ik meteen vol aan de bak.

Wat viel u verder op?

„Dat de wegen zo enorm verbeterd zijn. Als je nu de A2 volgt, weet je gewoon niet wat je meemaakt. Dat is oneindig veel beter dan vroeger. Verder is er natuurlijk de opkomst van de PVV. Al zijn er al lang politieke partijen die vooral drijven op ontevreden kiezers. In die zin staat Wilders in één rechte lijn met Fortuyn en boer Koekoek.”

Bent u nog steeds een PvdA-man?

„Zeker. Al vind ik de PvdA te onzichtbaar en te onduidelijk. Ik ben een groot fan van Job Cohen. Ik ken hem nog uit mijn Ajax-tijd. Een bijzonder aardige, fatsoenlijke man. Maar in deze tijd niet de goede man op de juiste positie. Cohen is niet de aanvoerder die als robuuste stopperspil de beuk erin kan gooien. Hij is een beschaafde technische spits, maar geen rouwdouwer. Wilders is dat wel. Die beheerst het hele spectrum van zuigen, provoceren, pesten en treiteren. Cohen is daar te netjes voor. Ik denk dat het golfbewegingen zijn. Als Cohen straks een mooie plek bij de Raad van State heeft komt er vast weer een pittige voorman die van wanten weet. Links Nederland zal nooit verdwijnen, hoe graag Wilders dat ook wil.”

Wordt er anders gevoetbald dan zes jaar terug?

„Ik vond tot voor kort dat veel ploegen bij balverlies te snel teruggingen, en te defensief gingen spelen. Maar nu zie ik over de hele linie veel meer aanvallend voetbal. Dat komt met name door de coaches die er nu zijn. Frank de Boer en Ronald Koeman willen het, Gertjan Verbeek probeert het en ikzelf hou er ook enorm van. Daardoor komt er snelheid in het spel. Het niveau in de eredivisie is hoog. Geldgebrek dwingt veel coaches jong talent op te stellen. Dat pakt erg goed uit. Die jongens ontwikkelen zich snel en blijken goede spelers te worden. Snoeien doet blijkbaar bloeien.”

U bent 64. Komt er een moment dat je te oud bent voor dit vak?

„Ik merk nu al dat de spelers en ik door het leeftijdsverschil steeds verder uit elkaar groeien. Neem hun taalgebruik; veel woorden kén ik niet eens. De kleding die ze dragen; broeken met gaten erin die zo laag hangen dat ik denk: waar zijn je bretels? Als jongen woonde ik in de Spaarndammerbuurt. Daar meerden de schepen aan. Die matrozen bezochten een café, waar ik van mijn moeder absoluut niet mocht komen omdat daar ‘enge mannen’ kwamen. Dat ‘eng’ sloeg vooral op hun tatoeages. Dat ging hooguit om een ankertje of een plaatje van een mooie vrouw. Tegenwoordig zit bijna elke voetballer er vol mee. Tegelijk voel ik me wel intens met die spelers verbonden. Ik praat graag met ze, wil weten wat er in hen omgaat. Louis [van Gaal] heeft ooit gezegd: ‘Ik hou van mijn spelers.’ Dat gaat mij te ver. Maar ik wil ze wel graag goed kennen.”

U zegt: ‘houden van gaat te ver’. Wat voor gevoel heeft u wel bij ze?

„Naarmate je ouder wordt, voel je je meer een vaderfiguur. Zeker bij jongens die zelf geen vader meer hebben, die steun missen. Tegelijk schijn ik een soort autoriteit uit te stralen die afstand schept. Ik merk dat ze soms beducht voor me zijn. Ik schijn er niet zo toegankelijk uit te zien. Zolang ze maar weten dat ik eerlijk en betrouwbaar ben.”

Het lijkt erop dat u ook milder bent geworden.

„Dat is ook zo. Ik reageer nu anders dan vroeger. Vanmorgen had ik nog een jonge speler tegenover me met gedragsproblemen. Tien jaar geleden zou ik hem rücksichtslos hebben weggestuurd. Daar ben ik van teruggekomen. Wegsturen is de makkelijkste weg. Veel van die jongens hebben echt talent; het probleem zit ’m in hun persoonlijkheid. Ik ben nu meer geneigd om nog enigszins aan die persoonlijkheid te werken. En ik stel vragen.

„Die jongen zei: ‘Ik denk dat ik eigenlijk niet bij Twente pas.’ Ik vroeg waar-ie dan wel zou passen. ‘Ik wil spelen bij een club waar ik mezelf kan zijn en waar niet al te veel regels zijn.’ ‘Nou, dan weet ik een hele goeie club voor je.’ ‘Oh ja, waar dan, trainer?’ ‘Die club is in Amsterdam, op een pleintje. Je moet wel je eigen bal meenemen. Daar kun je elke dag spelen wanneer en tegen wie je maar wil. Daar gelden enkel jouw regels. Ze betalen alleen niets, er zit geen publiek, en er komt ook nooit een scout kijken.’ Toen zag ik ’m toch denken...

„Persoonlijkheid is nauwelijks te veranderen. En toch: met een goede band kun je best ver komen. Daar ben ik flexibeler is geworden. Ga ’ns kijken wie er allemaal zijn weggestuurd bij Ajax: Elia, Narsingh, Biseswar… dat zijn dus wel dé vleugelspitsen waar Ajax nu om zit te springen. Creativiteit en afwijkend gedrag gaan kennelijk vaak samen.”

Dus moet je water bij de wijn doen?

„Je zult af en toe iets door de vingers moeten zien. Vroeger was ik daar enorm strikt in. Ik stam nog uit de jaren-vijftigdiscipline van ‘afspraak is afspraak’ en ‘regels zijn regels’. Het gaat erom dat je de middenweg weet te vinden. Ten aanzien van de spelers ben ik absoluut soepeler geworden. Laatst speelden we thuis tegen Excelsior. Het niveau was hoogst belabberd. Als titelkandidaat kun je je niet veroorloven om thuis punten te verspelen. Vroeger zou ik rázend geworden zijn. Nu denk ik: wat heeft dat voor zin? Ik loop zwijgend door de kleedkamer, en voel dat de jongens er zelf ook enorm van balen.”

U zei vorig jaar op televisie: “Ik kan mezelf geen toptrainer noemen.”

„Zet mij naast coaches als Louis van Gaal en Guus Hiddink. Daar kan ik me niet mee meten. Zo simpel is het. Wat die aan prijzen gewonnen hebben. Wat Bert van Marwijk gepresteerd heeft met Oranje is gigantisch. Bij die echte top hoor ik niet. Wie zijn de afgelopen veertig jaar nou echt toptrainers geweest? Michels, Van Gaal, Hiddink, Beenhakker, Advocaat. Nee, Cruijff niet. Die heeft nooit het Nederlands elftal gecoacht, en heeft in Nederland alleen Ajax gedaan. Een toptrainer laat het over langere tijd op meerdere plaatsen zien.”

U vertelde ook dat trainer-zijn zo’n eenzaam vak is.”

„Dat is zo. Je hebt heel weinig sociale contacten. Ik woon nu in Hengelo, kom zelden meer in het westen. Ik ga om acht uur ’s morgens van huis en kom ’s avonds laat weer binnen. Daardoor heb je bijna geen tijd voor leuke dingen buiten het voetbal. Je bent als trainer kwetsbaar. Je moet altijd presteren. Twee keer op rij verliezen en je bent al in de aap gelogeerd. Altijd hangt er een zwaard boven je hoofd. En als je eenmaal ontslagen wordt, blijft het angstaanjagend stil. Dan zit je in je eentje je wonden te likken.”

Laat u zelf wat van u horen als bijvoorbeeld Van Gaal ontslagen wordt bij Bayern München?

„Ik heb ’m een sms-je gestuurd: ‘Je bent en blijft een topcoach. Je zult de topclubs straks voor het uitzoeken hebben.’”

En liet Van Gaal iets horen toen u ontslagen werd in Qatar?

„Die verhoudingen liggen wat anders. Ik heb bewondering voor Louis, hij heeft waardering voor mij. Ik denk dat dat de beste omschrijving is.”

Volgend jaar wordt Co Adriaanse 65. Hij heeft net de formulieren thuisgekregen voor z’n AOW. „Dat is de officiële bezegeling: vanaf nu bent u oud.” In theorie heeft hij nog wel even voor de boeg. Zijn ouders werden allebei dik in de tachtig. Daarnaast rookt en drinkt hij niet. Maar dan nóg… „Stel dat ik nog twintig jaar leef. Dan ben ik 85. Als ik diezelfde twintig jaar van mijn huidige leeftijd aftrek, kom ik op 45. Dat lijkt nog zó dichtbij. Dan denk ik: waarom heb ik in godsnaam deze baan aangenomen? Ik heb nog maar zo weinig tijd. Ik wil nog graag genieten; fietsen, skiën, op vakantie naar Oostenrijk of Spanje. Ik moet op dat vlak nog veel inhalen.”

Bedoelt u dat u te weinig hebt genoten?

„Zeker. Trainer zijn is dikwijls geen leuke baan. Natuurlijk zijn er mooie momenten. Als we goed voetbal spelen, dan geniet ik daarvan. Maar dat duurt altijd maar even, want de volgende wedstrijd staat alweer voor de deur. Voetbalcoach zijn betekent: elke dag problemen. Er zijn altijd spelers ontevreden omdat ze niet spelen. Er zijn altijd blessures op plekken waar je ze nou net niet kunt hebben. Zo’n prettig vak is het niet.”

Waarom doet u het dan?

„Tja... misschien toch omdat je zo van voetbal houdt.”

Dan kunt u er beter thuis naar kijken.

„Dat is het allermooiste. Kun je er ook drie op een dag zien. Maar dan zit ik nog niet lekker. Ga ik vanzelf denken: ‘NEC-Vitesse; wie speelt waar?’ Als een soort proefwerk. Daarna Feyenoord-VVV. Hetzelfde patroon. Daarna NAC-Excelsior. Denk ik eerst nog: daar heb ik al tegen gespeeld, die hoef ik niet meer te zien. Ga ik toch weer kijken. Voetbal is een maalstroom waaruit je niet ontsnappen kunt. Tegelijkertijd heeft dit vak me ontzettend veel gebracht. Ik was een verlegen, bescheiden en fragiel jongetje. Denk je nou dat ik toen dacht: ooit ben ik trainer van Ajax?

„Ik zat bij de trainersopleiding in de klas bij Guus Hiddink. In die klas viel hij niet op. Da’s toch idioot; je zou zeggen dat een van de beste trainers ter wereld toen al onontkoombaar moet zijn geweest. Niet dus. De conclusie is: er is altijd een route te vinden die naar de top leidt. Zolang je maar je eigen weg zoekt en niet meehobbelt met de meute. En je moet geluk hebben. Er zijn genoeg momenten geweest dat ik dacht: nu ben ik weg. Met FC Porto verloren we in eigen huis van Benfica. Het stadion was te klein, iedereen floot me uit. Ik had een contract voor twee jaar, maar dacht: nu is het voorbij. Kwam voorzitter Pinta da Costa na afloop op me af: ‘Ik sta achter je, je krijgt er nog een jaar bij.’”

Toen u voortijdig bij Porto vertrok legde diezelfde voorzitter u een recordboete op.

„Ik was kampioen met ze geworden, had de beker gewonnen. Maar ik heb ze blijkbaar zwaar beledigd door tijdens het seizoen op te stappen. Vandaar die boete. Daarom ben ik ook naar het buitenland gegaan, om financieel weer boven Jan te komen. In totaal heb ik twee miljoen euro netto moeten betalen. Dat is inclusief de boete voor Jan Olde Riekerink, mijn trouwe assistent. Hij kon het zelf niet betalen en zou anders zijn huis hebben moeten verkopen.

„Ik ben in beroep gegaan in Lausanne, maar men had geen begrip voor mij. Ik had sterk de indruk dat de advocaten van Porto met het internationale sporttribunaal CAS onder een hoedje speelden. Je hoort weleens over maffiapraktijken bij de UEFA en de FIFA, maar dit was ook zeker geen zuivere koffie. Ik vind het nog steeds ongekend dat een kleine man zo zwaar gestraft wordt.”

Handelde u dat zelf af?

„Ik heb geen manager. Daar ben ik een hoge uitzondering in.”

Kunt u goed onderhandelen?

„Zeker. Het gaat maar om drie dingen: je bevoegdheden, de duur van je contract en wat je gaat verdienen. Als je zelf onderhandelt, maak je soms ook fouten. Toen ik net bij Porto weg was, kreeg ik een telefoontje van de manager van FC Köln. Ik dacht dat zij niet in de Bundesliga speelden, dus ik zei ‘nee’. Later realiseerde ik me dat ze wel degelijk in de Bundesliga spelen, in een prachtig stadion. Daar had ik toen wel spijt van.”

Toen u bij Porto werkte, werd u naar huis geroepen omdat uw vader op sterven lag. Nog geen twee dagen na uw vader stierf ook uw moeder.

„Dat was ongelofelijk. Ik ben teruggegaan op zondag en maandagavond is hij overleden. Ik had het helemaal niet verwacht. Je denkt dat je vader nooit dood zal gaan. De woensdag daarop stierf mijn moeder. Ze zijn samen begraven. Dat was wel mooi eigenlijk. Dat je je ouders samen weg kunt brengen met de familie, dat je ook nog mooie dingen over ze kunt zeggen.

„Als je ouders dood zijn, valt er een belangrijke drijfveer weg. Dan is het de vraag: voor wie doe ik het nog? Ik wilde altijd dat mijn ouders trots op me waren. Het was in onze kringen niet gebruikelijk dat je doorleerde. Toch lieten ze mij onderwijzer worden. Daarom wilde ik per se met goede rapporten thuiskomen. Misschien had ik vanuit een soort minderwaardigheidsgevoel ook wel een schouderklopje nodig. Dat element valt weg als ze allebei dood zijn.”

Is er iets voor dat gemis in de plaats gekomen?

„Nee. Het is nog steeds een enorm gat. Ik voel leegte. Ik mis mijn ouders echt enorm. Ik ga nog geregeld naar het graf, ook al weet ik dat ik ze daar niet vind. Af en toe bezoek ik mijn oom. Een broer van mijn vader, inmiddels in de tachtig. Hij woont op dezelfde afdeling waar mijn moeder werd verpleegd. Inmiddels is ook hij aan het dementeren. Pas na heel lang kijken herkent-ie mij. ‘Hee... Cootje!’ Dat ontroert me elke keer. Dan vraagt-ie: ‘Voetbal je nog, jongen?’ ‘Nee, ik ben nu trainer’. ‘Ja’, zegt-ie dan, ‘da’s waar ook… jij bent trainer. Nou, goed je best doen, hoor jongen.’ Bij hem voel ik nog de vertrouwdheid die ik bij mijn ouders had. Hij is de enige mens op de wereld voor wie ik nog ‘Cootje’ ben.”