Angola krabbelt overeind

Angola, het geboorteland van Mauro Manuel, moest na de burgeroorlog van de grond af worden opgebouwd. Dat gebeurt nu in rap tempo.

Africa, Angola, Kalahomba, quarter of Benguela, A child in front of a house, Laundry dries outside Bilderberg

Toen de jonge asielzoeker Mauro Manuel acht jaar geleden naar Nederland kwam, was in Angola de burgeroorlog net ten einde. De oorlog, die 27 jaar had geduurd, kostte naar schatting aan 500.000 mensen het leven. De strijd tussen de twee bevrijdingsbewegingen MPLA en Unita eindigde in 2002, toen Unita-leider Jonas Savimbi werd doodgeschoten.

Mauro’s geboorteland is getraumatiseerd, gehavend en in zichzelf gekeerd. Het moet van de grond af worden opgebouwd. Dat gaat in rap tempo, dankzij de enorme rijkdom aan grondstoffen. Vooral door de oliewinning groeit de economie sinds 2004 met ruim 10 procent per jaar – met een piek van 20 procent in 2007.

Het straatbeeld in de hoofdstad Luanda is daardoor in hoog tempo veranderd. Tussen de afbrokkelende koloniale gebouwen verrijzen luxe gebouwen. Wegen worden verbreed en opnieuw geasfalteerd en een Braziliaans bedrijf heeft twee zesbaanswegen aangelegd. Voor werkloze technici en managers uit Portugal liggen de kansen voor het oprapen – in 2009 kwamen er meer dan 30.000 naar Angola op zoek naar een baan.

Maar Angola is een land met twee gezichten. Terwijl de kleine elite met de nieuwste iPhone loopt en zich vermaakt op feestjes waar de champagne rijkelijk vloeit, leven de meeste Angolezen in uitzichtloze armoede. In de Human Development Index van de Verenigde Naties, die de armoede en levensverwachting van de bevolking van een land in kaart brengt, bungelt Angola ergens onderaan: 68 procent van de Angolezen moet rondkomen van minder dan 1 dollar per dag en één op de vier kinderen haalt het vijfde levensjaar niet.

Zeker eenderde van de Angolezen is afhankelijk van voedselhulp. Ze wonen in de musseques van Luanda: illegaal gegroeide sloppenwijken met nauwelijks voorzieningen. Er is vaak geen elektriciteit of stromend water, behalve het stinkende open riool dat dwars door de wijk loopt. De bewoners kunnen geen dokter betalen. Hun enige dagelijkse maaltijd bestaat uit een kleverige maïspap. Een sprankje hoop: de regering wil een miljoen huizen bouwen voor mensen die nu nog in dit soort wijken wonen.

De situatie in het amper ontwikkelde binnenland is niet veel beter. Dat enorme gebied is nu iets gemakkelijker te bereiken door de herbouwde spoorwegen. Maar grote delen zijn nog onbereikbaar doordat ze bezaaid liggen met landmijnen of doordat de wegen onbegaanbaar zijn.

Het wantrouwen is groot tegenover de regering van president Eduardo dos Santos, die sinds 1979 aan de macht is. Hij probeert de leiders van de verschillende stammen in te palmen door hun nieuwe bevoegdheden te geven.

Het verzet tegen de regering is het grootst in de provincie Cabinda, waar de meeste olievelden voor de kust liggen. Daar sluimert nog altijd een opstand, die al decennia duurt. Strijders van een separatistische groep vielen in januari 2010 een bus met het nationale elftal van Togo aan, die op weg was naar de Afrika Cup in Angola. Er vielen twee doden.