Waar is mijn Death Star?

In mijn broekzak zit een computer die nog maar kort geleden niet eens in mijn huiskamer had gepast. Continu, draadloos, komen er van over de hele wereld berichten binnen. Op mijn Kindle, lichter dan Het gouden ei van Tim Krabbé, passen 1.400 boeken. En Siri, de stemassistent van de iPhone 4S, reageert zelfs als je haar vraagt of ze de „pod bay doors” wil openen – denk HAL 9000 uit 2001: A Space Odyssey. We leven verdorie in de toekomst!

Toch zijn er ook mensen teleurgesteld. Tijdens Playful, een charmante conferentie over spel en innovatie die vorige week in Londen werd gehouden, liet organisator Toby Barnes een dia zien met daarop de destructieve kunstmaan uit Star Wars. „Waar is mijn Death Star?” wilde hij weten.

Barnes heeft een punt, want van de grote gebaren uit oude sciencefiction is weinig terechtgekomen. We gaan niet met onze jetpacks of vliegende auto's naar ons werk, niet naar Jupiter op vakantie, en er is ook nog steeds geen wereldvrede.

Met het einde van de space race tussen de VS en Rusland lijken ook de grootse, optimistische toekomstvisies verdwenen. We zitten nu tot onze knieën in een moeras van complexe systeemproblemen als global warming, de wereldeconomie, populisme, en tekorten aan fossiele brandstoffen, voedsel en water. Het beste wat we hebben om naar uit te kijken? Nanotechnologie die ons onsterfelijk maakt, laat fuseren met machines, en uiteindelijk laat verdwijnen in de kille bits van het netwerk...

Volgens cultuurcriticus Marcus Brown is het probleem wat hij noemt de „middle aged future”. We zitten vast in de toekomstbeelden uit de sciencefiction waarmee we zijn opgegroeid. Maar het is al lang duidelijk wat er wel en niet mogelijk is uit 2001, Star Wars en Star Trek. En kennelijk zijn we niet meer in staat om iets nieuws te verzinnen.

Wat overblijft zijn babystapjes in het verfijnen en verkleinen van bestaande ideeën. De grote onthulling uit de biografie van Steve Jobs is dat Apple de televisie beter wil maken. Precies wat Brown zegt: er zijn geen nieuwe ideeën meer. We staren ons blind op de Death Star.

Dat is jammer. Zoals sciencefictionschrijver Al Robertson betoogde op Playful: sciencefiction is er juist zo goed in om op speelse wijze tot iets nieuws te komen. Arthur C. Clarke vond de satelliet uit, Robert Heinlein het waterbed. Jules Verne beschreef in 1865 al opvallend precies hoe een maanlanding in zijn werk zou gaan.

De oplossing? Denken met de onbezonnen geest van jonge kinderen. „Geef een kind van vier een kartonnen doos en hij vliegt er mee naar de maan”, zei Marcus Brown. „Geef een kind van acht een kartonnen doos en hij doet er zijn boeken in.” Tijd om het sciencefictioncanon te verwerpen en een heel nieuwe toekomst te fantaseren.

Niels ’t Hooft

In deze rubriek schrijven freelance journalist Niels ’t Hooft en gamewetenschapper David Nieborg over games

    • Niels `t Hooft