Verslag van een vruchteloosheid

Al na 22 pagina’s tekst is Harry Mulisch’ onvoltooide roman voorbij. Gelukkig zijn er dagboek- fragmenten bijgevoegd. ‘De falende Mulisch, die kenden we nog niet.’

Harry Mulisch: De tijd zelf. Drieluik. Bezorgd door Arnold Heumakers en Marita Mathijsen, in samenwerking met Kitty Saal. De Bezige Bij, 160 blz. € 17,90

Halverwege het essay waarin Arnold Heumakers De tijd zelf knap verbindt met het oeuvre van Harry Mulisch, komt het hoge woord eruit: echec.

Tot dat moment zit je de eerste postume publicatie van de vorig jaar gestorven Mulisch met bevreemding te lezen. De tijd zelf is onmiskenbaar Mulisch, beginnend met de gevoelvolle opdracht aan Tonio, de vorig jaar vlak bij Mulisch’ huis verongelukte zoon van Adri van der Heijden en Mirjam Rotenstreich, ‘een groet van de doden aan de doden’ en de sterke beginzin (‘Mijn hoofd – schrijft hij – loopt om’).

Daarop volgen observaties over droom en werkelijkheid, wat de hoeveelheid lidwoorden over een taal zegt en de planning van een filosofisch twistgesprek over het bestaan van het heden. Dat moet worden gevoerd in Greenwich, met één gesprekspartner op het oostelijk halfrond, de ander op het westelijk en de gespreksleider in het midden.

Een en ander loopt in het honderd omdat de hoofdpersoon, Melchior Post, ’s nachts zijn wekker heeft omgestoten, waarbij het apparaat een kwartslag is gedraaid en zo een andere tijd lijkt aan te geven; een gat in de tijd. Voeg daarbij het vulkaaneiland Lanzarote, een geestige verwijzing naar De pupil en een mysterieuze moederfiguur en de fan laat zich soepel meevoeren een nieuwe Mulisch in.

Cynisch

En dan? Na op de kop af 22 pagina’s tekst, is het ineens voorbij. De overige 140 bladzijden zijn gevuld met essays van de bezorgers Marita Mathijsen en Arnold Heumakers, een verantwoording, dagboekfragmenten en illustraties.

Je kunt er makkelijk cynisch over doen: zeggen dat de uitgeverij koste wat kost een kliekje tot een boekje wilde oppompen, dat hier heel dik wordt gedaan over bijna niks. De aantekeningen, prints, knipsels en boeken die bij zijn overlijden op zijn werktafel lagen waren bestemd voor De tijd zelf, maar Mulisch had er al jaren niet meer serieus aan gewerkt. Welbeschouwd zijn die 22 bladzijden geen boekuitgave waard.

Zo makkelijk zijn we echter niet van Mulisch af. Dat komt door de veertig pagina’s dagboekfragmenten die in de uitgave staan. De formuleringen zijn even summier als de vorderingen die worden beschreven: ‘Een nieuwe eerste alinea van het LO geschreven’ – het boek heette toen nog Het literaire offer. Een dag later: ‘Iets aan het LO’. Dan: ‘Nagedacht over het LO’. Het is in de zomer van 2001. In januari 2002: ‘Het LO weer op het scherm gezet. Een paar zinnen geschreven.’ Zo volgen de vermeldingen elkaar op, waarbij de wat onbeholpen formulering ‘op het scherm gezet’ een gevoel van vergeefsheid met zich meebrengt.

De dagboekfragmenten lopen tot in 2003. In januari schrijft Mulisch: ‘Het materiaal is groot en divers; als ik er een structuur in ontdek, is het halve werk misschien gedaan.’ Op 30 maart volgt dan ineens het Eureka-moment: ‘Eindelijk, ik heb het! Het overkoepelende idee voor de TZ: de zich openende horizon, uit 1971, tweeëndertig jaar geleden, zo oud als Anna. Pythagoras!’ Helaas, een dag later noteert de schrijver: ‘Verder nagedacht over het vorige. Vandaag weer iets minder zeker van mijn zaak.’ Arme kerel!

De falende Mulisch – die kenden we nog niet. Dat is uiteindelijk de waarde van De tijd zelf: het neemt je mee naar een worstelende schrijver, die niet wil versagen, maar de kracht (het talent, zou Mulisch zelf misschien zeggen) mist om dit laatste project tot een goed einde te brengen. Hij legt zich erbij neer dat de slotzin van Siegfried (2001) toch profetisch blijkt te zijn: ‘Daarna niets meer.’ En dat is bijzonder, want meestal blijven de blindgangers van schrijvers verborgen, en al helemaal de verslagen van hun eigen vruchteloosheid.

Gissen

Naar de oorzaak van de mislukking is het gissen. Heumakers suggereert dat Mulisch probeerde de tijd ‘in een net van fictie’ te vangen, zoals hij dat in Siegfried met Hitler had gepoogd te doen, maar dat deze prooi zich niet leende voor die methode. Misschien was het idee niet goed genoeg, misschien was het brein versleten, misschien wilde hij te veel door ook nog het laatste woord over zijn naar Amerika geëmigreerde moeder te zeggen – als de oorzaak ooit al aan te wijzen was, is die nu niet meer te achterhalen.

Je moet De tijd zelf omdraaien. Wat nu is uitgegeven als een romanfragment met dagboeken als illustratie, is de moeite waard in omgekeerde hiërarchie: als delen van een schrijversdagboek, waarbij de romanfragmenten dienen als illustratie van de worsteling die uit het dagboek oprijst.

Als Mulisch dit dagboek inderdaad jarenlang heeft bijgehouden, dan hebben we iets om naar uit te kijken.