Transparantie is nog ver te zoeken

Spookauteurs, die niet eens worden genoemd. Maar ook namen van mensen die niet meeschreven aan het stuk. De medische vakpers maakt een potje van auteursnamen.

Meer dan één op de vijf publicaties in de zes meest prestigieuze medisch-wetenschappelijke tijdschriften had in 2008 problemen met de correcte vermelding van auteurs. De artikelen waren soms geschreven door spookauteurs, die niet vermeld stonden, of er stonden mensen als auteur bij, die niet of nauwelijks aan het onderzoek hadden bijgedragen of aan het artikel hadden mee geschreven. Dat blijkt uit een publicatie die deze week verscheen in de British Medical Journal (BMJ).

Het is nog altijd droevig gesteld met de transparantie en de verantwoording in de medische wereld, concluderen de auteurs, de hoofdredacteur, Phil Fontanarosa, en drie redacteuren van het Amerikaanse zustertijdschrift van de BMJ, het Journal of the American Medical Association (JAMA).

Behalve artikelen in hun eigen tijdschrift en die uit de BMJ onderzochten de Amerikanen ook publicaties in de bladen Archives of Internal Medicine, Nature Medicine, New England Journal of Medicine en PLoS Medicine. Dat leverde een ‘oogst’ op van 2.297 onderzoeksartikelen, overzichtsartikelen en redactionele commentaren. Daaruit namen ze een forse steekproef van 896 artikelen. De auteurs daarvan ontvingen per e-mail een vragenlijst, waarin zij heel precies moesten aangeven wie aan de totstandkoming van de publicatie had bijgedragen. De JAMA-redacteuren ontvingen 630 bruikbare reacties en lieten daar hun analyse op los.

Ze vergeleken de resultaten met een studie uit 1996 naar hetzelfde fenomeen. Toen zijn drie tijdschriften bekeken. Ten opzichte van 1996 blijkt het aantal erevermeldingen niet significant afgenomen: het daalde van 29 procent naar 21 procent. Het aantal spookauteurs daalde wel significant: van 11,5 procent in 1996 naar 7,9 procent drie jaar geleden.

Dit geeft een indruk van de misstanden, maar misschien niet een heel getrouwe, schrijven de JAMA-redacteuren bij hun resultaten. De geënquêteerde medici moesten immers zelf hun wangedrag rapporteren en een fors deel reageerde niet op de informatieverzoeken. Een onderrapportage is daarom waarschijnlijk.

Fontanarosa en zijn medewerkers concluderen dat richtlijnen die het International Committee of Medical Journal Editors in 1980 opstelde en die zijn omarmd door meer dan 600 medische tijdschriften nog niet het gewenste effect hebben. Sinds de invoering van de regels, zijn ze voortdurend aangescherpt. Maar nu blijkt dat zelfs toptijdschriften niet kunnen voorkomen dat er onzorgvuldigheden in de auteursvermelding zitten.

Dat sommige namen wel of niet bij een publicatie worden genoemd lijkt op het eerste gezicht triviaal. Maar dat is het niet, schrijven de JAMA-redacteuren. Het is schadelijk voor de zuivere wetenschap. Het vertekent het beeld van iemands wetenschappelijke kwaliteit. Wetenschappers die hun naam laten toevoegen aan een artikel waaraan zij niet substantieel hebben bijgedragen, kunnen op deze manier op onheuse wijze een goede beoordeling of promotie krijgen. Er kleeft ook een risico aan: als later zou blijken dat er in het onderzoek gefraudeerd is, kunnen ook de ere-auteurs daarvoor aansprakelijk gehouden worden.

Spookauteurs zijn al even schadelijk, omdat ze lezers van het artikel op het verkeerde been zetten. Niemand kan meer beoordelen welke invloed of potentieel onderliggende agenda bij het tot stand komen van het artikel hebben meegespeeld. Het is bekend dat de farmaceutische industrie soms gebruikmaakt van spookauteurs.

De transparantie is nog lang niet op het niveau waarop het zou moeten zijn, schrijven Fontanarosa en zijn team. De richtlijnen moeten nog scherper. Ze noemen het tijdschrift Neurology als lichtend voorbeeld. Dat stelt verplicht dat bij ieder artikel ook wordt vermeld wie de eerste versie van het artikel schreef.