Perfectionist en hork in een coltrui

Steve Jobs gaf zijn biograaf Walter Isaacson alle medewerking.

Toch slaagt Isaacson erin de duistere kanten van Mr. Apple bloot te leggen.

Aan de iPhone en de iPad dankte de op 6 oktober overleden Steve Jobs (1955-2011) zijn status als genie: een zakenman die wist wat je wilde kopen voordat je het zelf wist, die elektronica combineerde met design en kunst. Een rebel die de technologiesector, de filmwereld, de muziekindustrie en de telecombranche veranderde. Het zijn ingrediënten voor een voorspelbare lofzang op de Apple-oprichter. Maar in zijn perfect getimede biografie beschrijft Walter Isaacson ook de donkere kant van Steven Paul Jobs: een vat vol tegenstrijdigheden, meedogenloos, onbeschoft, manipulatief, bemoeizuchtig.

Jobs schermde zijn privéleven altijd af. Maar hij wilde niet dat er na zijn dood verhalen zouden verschijnen die niet klopten. Daarom gaf hij zijn biograaf de vrije hand. Het moest een eerlijk boek worden, geen heldendicht. Isaacson interviewde de Apple-oprichter veertigmaal, meestal wandelend door diens woonplaats Palo Alto. Daarnaast sprak de biograaf, die eerder de levens van Albert Einstein en Henry Kissinger beschreef, meer dan honderd vrienden en vijanden van Jobs. Ook Jobs collegae en de mensen die hem in 1985 uit Apple verstootten, komen aan het woord. Isaacson kreeg bovendien toegang tot het heilige der heiligen: de ontwerpafdeling van de Apple-campus.

Steve Jobs kwam als adoptiekind terecht in een middenklassegezin toen Silicon Valley net ontstond. Jobs adoptievader leerde hem respect voor goed vakmanschap en ‘extreme’ eerlijkheid. Jobs laat zich dan ook zonder gêne uit over vakgenoten. Hij noemt Bill Gates ‘fantasieloos’, hoewel de Microsoft-oprichter hem een ontroerend afscheidsbezoek bracht. Ook veegt Jobs de vloer aan met Google en zegt dat hij tot zijn laatste ademtocht zal proberen iPhone-concurrent Android kapot te maken, omdat die ‘gestolen’ is van Apple.

Het ontbrak Jobs aan tact. Hij was keihard tegen medewerkers, schold ze uit en ontsloeg ze op staande voet. Hij gedroeg zich als een hork in restaurants en winkels. Isaacson schrijft: ‘Het leek wel alsof er in Jobs’ hersenen iets ontbrak wat de hoogste pieken van zijn impulsieve meningen een beetje kon temperen.’ Hij wist medewerkers tot grote hoogten te brengen, omdat hij niet in technische barrières geloofde. Zo creëerde hij teams van ‘A-klasse’ die dolgelukkig waren om met hem te mogen werken, al werden ze dan gekleineerd en presenteerde hij hun ideeën als de zijne.

Jobs groeide op in de hoogtijdagen van het hippiedom. Na een reis naar India verscheen hij op zijn eerste baantje bij Atari met een lange baard, op blote voeten en stinkend, omdat hij ervan overtuigd was dat zijn strenge fruitdieet douchen en deodorant overbodig maakte. ‘Deze theorie klopte niet’, constateert Isaacson droogjes.

Rebellie bleek de rode draad. Hij was de topman die openlijk toegaf dat een lsd-trip een van de beste ervaringen uit zijn leven was. Hij verzette zich tegen de heersende almacht van IBM en permitteerde zich kleine ongehoorzaamheden: hij reed in een auto zonder nummerbord en parkeerde zijn Mercedes SL 55 meestal op een invalidenplek.

Jobs was wars van uiterlijk vertoon. Al was hij schatrijk, hij weigerde in een grote villa te wonen. Die hang naar eenvoud was een erfenis uit India. De eenvoud vind je terug in het strakke Apple-design en de strikte keuzes die het bedrijf maakt in zijn producten. Ook leerde Jobs dankzij het boeddhisme intuïtie te waarderen. Waar andere bedrijven vertrouwden op consumentenonderzoek, vertrouwde Jobs alleen op zichzelf.

Zijn intuïtie bedroog hem als het ging om zijn eigen gezondheid. Jobs had de tumor operatief kunnen laten verwijderen, maar wilde niet dat er in zijn lichaam gesneden werd. In plaats daarvan strafte hij zijn lichaam met een rigoureus dieet en liet zich pas maanden later opereren. Tegen die tijd bleek de kanker al uitgezaaid. Jobs zette daarna alles op alles, en geloofde tot op het laatste moment dat hij beter zou worden.

In zijn persoonlijk leven worstelde Jobs met verlatingsangst en een vadercomplex, volgens Isaacson te wijten aan zijn adoptieverleden. Hij ontkende lang zijn eerste dochter Lisa – naar wie hij wel een computer vernoemde – en weigerde contact op te nemen met zijn biologische vader. Uiteindelijk stichtte Jobs een gezin met drie kinderen.

Jobs bemoeide zich tot het laatste moment met Apple en met de Amerikaanse politiek. Hij omringde zich met bekendheden die zich tot zijn cultstatus aangetrokken voelden. Obama belde regelmatig, de familie Clinton was kind aan huis, net als U2-zanger Bono en uitgever Rupert Murdoch. Zij voldeden aan de strenge norm die Jobs zichzelf en anderen oplegde en die ook het motto van het boek is: ‘diegenen die zo gek zijn om te denken dat zij de wereld kunnen veranderen, zijn degenen die het doen’ – geleend uit Apples Think Different-campagne.

Steve Jobs vertelt een compleet verhaal van een van de opvallendste personen in de technologiewereld. Isaacson steekt ver uit boven de ongeautoriseerde biografieën die eerder verschenen. Het begin loopt wat stroef: veel overbekende Apple-historie, een stortvloed aan namen. Maar de smeuïge details maken veel goed, vooral die over Jobs legendarische hang naar perfectie en zijn obsessieve bemoeizucht – van de afgeronde hoeken van de iPhone tot aan de stenen vloer in de Apple Stores. De honderd identieke zwarte coltruien die in zijn kast hingen, zouden goed geweest zijn voor nog eens honderd productpresentaties.

Walter Isaacson: Steve Jobs Vertaald door: Rob de Ridder. Het Spectrum, 719 blz. € 25,-